RAAD VAN EUROPAEUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENSTWEEDE AFDELINGZAAK COEME EN ANDEREN t/ BELGIE(Verzoekschriften nrs. 32492/96, 32547/96,32548/96, 333209/96 en 33210/96)ARRESTSTRAATSBURG22 juni 2000Dit arrest wordt definitief onder de voorwaarden bepaald in artikel 44, lid 2, van het Verdrag.
In zake Coëme en anderen t/België,
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (tweede afdeling) zitting houdende in een kamer samengesteld uit:
de Heren C.L. ROZAKIS, voorzitter,
A.B. BAKA,
B. CONFORTI,
Mevrouw F. TULKENS,
de Heer P. LORENZEN,
Mevrouw M. TSATSA-NIKOLOVSKA
de Heer E. LEVITS, rechters,
en de Heer E. FRIBERGH, afdelingsgriffier,
Na beraad in de raadkamer op 30 maart, 6 april en 30 mei 2000,
Wijst het hierna volgende arrest, aangenomen op de laatstgenoemde datum:
RECHTSPLEGING
1. Aan de oorsprong van de zaak liggen vijf verzoekschriften (nrs. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 en 33210/96), gericht tegen het Koninkrijk België, waarbij vijf onderdanen van die Staat de zaak aanhangig hadden gemaakt bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens ("de Commissie"), krachtens het vroegere artikel 25 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ("het Verdrag").
Het eerste van die verzoekschriften is neergelegd door de Heer Guy Coëme op 23 juli 1996 en is geregistreerd op 2 augustus 1996 onder het dossiernummer 32492/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegenwoordigd door Mr. P. Lambert, advocaat bij de balie te Brussel.
Het tweede verzoekschrift is neergelegd door de Heer Jean-Louis Mazy op 1 augustus 1966 en is geregistreerd op 7 augustus 1996 onder het dossiernummer 32547/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegenwoordigd door Mr. O. Klees, advocaat bij de balie te Brussel.
Het derde verzoekschrift is oorspronkelijk neergelegd door de Heer Jean-Louis Stalport op 5 augustus 1966 en is geregistreerd op 7 augustus 1996 onder het dossiernummer 32548/96. De Heer Stalport is overleden op 7 mei 1997. Bij een brief van 4 juli 1997 hebben zijn echtgenote en zijn dochters - alle drie van Belgische nationaliteit en respectievelijk geboren in 1951, 1976 en 1979, die zijn enige erfgenamen zijn - hun intentie te kennen gegeven om de procedure voort te zetten en te worden vertegenwoordigd door de raadslieden gekozen door hun echtgenoot en vader: Mr. J. Cruyplants, Mr. R. De Baerdemaeker en Mr. O. Louppe, advocaten bij de balie te Brussel.
Het vierde verzoekschrift is neergelegd door de Heer Auguste Merry Hermanus op 8 augustus 1966 en is geregistreerd op 27 september 1996 onder het dossiernummer 33209/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegenwoordigd door Mr. N. Cahen, Mr. F. Maussion en Mr. R. de Béco, advocaten bij de balie te Brussel.
Het vijfde verzoekschrift is neergelegd door de Heer Camille Javeau op 31 juli 1996 en is geregistreerd op 27 september 1996 onder het dossiernummer 33210/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegenwoordigd door Mr. T. Delahaye, Mr. P. Mayence, Mr. M.-F. Dubuffet en Mr. P. Erkes, advocaten bij de balie te Brussel.
De Belgische Regering ("de Regering") was vertegenwoordigd door haar agent, de Heer C. Debrulle, directeur-generaal bij het Ministerie van Justitie.
Vanuit de invalshoek van de artikelen 6, 7, 13 en 14 van het Verdrag, klagen de verzoekers over de in België tegen hen ingestelde strafvervolgingen. De Heer Coëme, die minister was toen de in het geding zijnde feiten werden begaan, werd voor het Hof van Cassatie gebracht overeenkomstig artikel 193 van de Grondwet, dat, zoals het luidde vóór de grondwetswijziging van 12 juni 1998, bepaalde dat enkel het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, bevoegd was om ministers te berechten. De overige verzoekers werden voor dat rechtscollege gebracht vanwege de banden van samenhang die bestonden tussen de feiten die hun werden verweten en die welke de Heer Coëme werden verweten. Op 5 april 1996 sprak het Hof van Cassatie een veroordelingsarrest uit ten aanzien van de vijf verzoekers.
2. Op 7 april 1997 heeft de Commissie beslist de verzoekschriften ter kennis te brengen van de Regering.
Wat het eerste verzoekschrift betreft, heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grief betreffende de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grieven gegrond op het feit dat dit rechtscollege, door toepassing te maken van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 december 1993, terugwerkende kracht zou hebben toegeschreven aan artikel 103 van de Grondwet, zoals gewijzigd op 5 mei 1993, en haar saisine zou hebben uitgebreid tot feiten en tenlasteleggingen die niet waren beoogd in de verwijzingsbeslissing van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 12 november 1997.
In het kader van haar onderzoek van het tweede verzoekschrift heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen ten aanzien van de grieven met betrekking tot de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend alsmede met betrekking tot de toepassingswet die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelt, en met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en faciliteiten zou hebben beschikt voor de voorbereiding van zijn verweer, alsmede met betrekking tot de grief welke is gegrond op de weigering om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 5 november 1997.
Voor het derde verzoekschrift heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en met betrekking tot de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en faciliteiten zou hebben beschikt om zijn verweer voor te bereiden. De Regering werd eveneens uitgenodigd haar opmerkingen te kennen te geven over de grieven volgens welke het Hof van Cassatie had geweigerd een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen en sommige verklaringen die door de verzoeker waren afgelegd tijdens zijn verhoor van 16 maart 1994 in aanmerking zou hebben genomen, als bekentenis. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de erfgenamen van de verzoeker hebben erop geantwoord op 19 december 1997.
Wat het vierde verzoekschrift betreft, heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en met betrekking tot de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede betreffende die welke zijn genomen op het feit dat dit Rechtscollege toepassing heeft gemaakt van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 december 1993, dat het heeft geweigerd een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen en dat het zich niet binnen een redelijke termijn zou hebben uitgesproken. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 19 december 1997.
Met betrekking tot het vijfde verzoekschrift heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en betreffende de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en faciliteiten zou hebben beschikt om zijn verweer voor te bereiden en met betrekking tot de grief die gegrond op de weigering van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 19 december 1997.
3. Ten gevolge van de inwerkingtreding van het Protocol nr. 11 bij het Verdrag op 1 november 1998, en overeenkomstig artikel 5, lid 2, van dat Protocol, wordt de zaak onderzocht door het Hof.
4. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het reglement van het Hof ("het reglement"), heeft de voorzitter van het Hof, de Heer L. Wildhaber, de zaak toegewezen aan de tweede afdeling. De kamer samengesteld binnen die afdeling omvatte van rechtswege Mevrouw F. Tulkens, rechter verkozen voor België (artikelen 27, lid 2, van het Verdrag en 26, lid 1, onder a) van het reglement), en de Heer C.L. Rozakis, voorzitter van de afdeling (artikel 26, lid 1, onder a) van het reglement). De overige leden aangewezen door laatstgenoemde om de kamer aan te vullen, waren de Heer B. Conforti, de Heer P. Lorenzen, Mevrouw M. Tsatsa-Nikolovska, de Heer A.B. Baka en de Heer E. Levits (artikel 16, lid 1, onder b) van het reglement).
5. Op 8 december 1998 heeft de kamer beslist de verzoekschriften samen te voegen (artikel 43, lid 1, van het reglement). Zij heeft vervolgens beslist de partijen uit te nodigen haar in de loop van een terechtzitting mondeling opmerkingen voor te leggen ten aanzien van de ontvankelijkheid en ten gronde met betrekking van sommige in de verzoekschriften aangevoerde grieven.
6. Zoals daartoe was beslist door de voorzitter van de kamer, werden de debatten gehouden in het openbaar op 2 maart 1999, in het "Palais des Droits de l'Homme" te Straatsburg.
Zijn verschenen:
- voor de Regering
de Heer J. LATHOUWERS, adjunct-adviseur, diensthoofd bij het Ministerie van Justitie afgevaardigde van de agent,
Mr. F. HERBERT,
Mr. F. DE VISSCHER, advocaten bij de
balie te Brussel, raadslieden;
- voor de verzoekers,
(voor de Heer Coëme)
Mr. P. LAMBERT, advocaat bij de
balie te Brussel, raadsman,
de Heer M. VERDUSSEN, professor aan
de "Université catholique de
Louvain, adviseur,
(voor de Heer Mazy)
Mr. O. KLEES, advocaat bij de balie
te Brussel, raadsman,
(voor de erfgenamen van de Heer
Stalport)
Mr. J. CRUYPLANTS,
Mr. R. DE BAERDEMAEKER,
Mr. O. LOUPPE, advocaten bij de
balie te Brussel, raadslieden,
(voor de Heer Hermanus)
Mr. N. CAHEN,
Mr. R. DE BECO, advocaten bij de
balie te Brussel raadslieden,
(voor de Heer Javeau)
Mr. M.-F. DUBUFFET,
Mr. P. ERKES, advocaten bij de
balie te Brussel, raadslieden.
Het Hof heeft Mr. de Visscher, Mr. Klees, de Heer Verdussen, Mr. Lambert, Mr. Cahen, Mr. Erkes, Mr. Dubuffet en Mr. Cruyplants gehoord in hun verklaringen.
7. Na afloop van het beraad, gehouden na de terechtzitting van 2 maart 1999, heeft de kamer de verzoekschriften ontvankelijk verklaard ten aanzien van de grieven met betrekking tot:
- de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek regelen van de gegrondheid van de vervolgingen gericht tegen de ministers met toepassing van artikel 103 van de Grondwet en met betrekking tot de moeilijkheden die daaruit zijn voortgevloeid voor het organiseren van het verweer van de verzoekers,
- de toepassing van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 december 1993,
- de verwijzing naar het Hof van Cassatie van de vier verzoekers die nooit de functie van minister hebben uitgeoefend,
- de weigering van het Hof van Cassatie om aan het Arbitragehof prejudiciële vragen voor te leggen met betrekking tot de samenhang en de verlenging van de verjaringstermijn,
- de omstandigheid dat het Hof van Cassatie sommige verklaringen afgelegd door de Heer Stalport tijdens zijn verhoor van 16 maart 1994 als getuige, in aanmerking zou hebben genomen als bekentenis,
- de beweerdelijk buitensporige duur van de vervolgingen gericht tegen de Heer Hermanus,
- het feit dat het Hof van Cassatie structureel en traditioneel onderworpen zou zijn aan de invloed van zijn openbaar ministerie.
8. Op 24 maart 1999 werd van de tekst van de beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid kennis gegeven aan de partijen. Deze werden eveneens uitgenodigd opmerkingen te kennen te geven ten aanzien van de grief volgens welke het Hof van Cassatie structureel en traditioneel onderworpen zou zijn aan de invloed van zijn openbaar ministerie, opgeworpen in de verzoekschriften nrs. 32547/96 en 32548/96. Zij werden ook ingelicht over de mogelijkheid om andere opmerkingen over de grond van de zaak voor te leggen. De verzoekers werden bovendien uitgenodigd preciseringen te verschaffen ten aanzien van hun vorderingen tot billijke genoegdoening (artikel 60, lid 2, van het reglement).
9. De verzoekers hebben hun opmerkingen over de grond van de zaak voorgelegd op 4 mei 1999 en de Regering heeft de hare voorgelegd op 21 mei 1999. De verzoekers hebben aanvullende opmerkingen voorgelegd op 9 juli 1999. Nota's met betrekking tot de billijke genoegdoening werden neergelegd op 11 mei (verzoekschrift nr. 32492/96), op 21 mei 1999 (verzoekschriften nrs. 32547/96, 32548/96 en 33209/96) en op 25 mei 1999 (verzoekschrift nr. 33210/96). De Regering heeft erop geantwoord op 29 juli 1999.
IN FEITE
I. DE OMSTANDIGHEDEN VAN DE ZAAK
10. De Heer Coëme, Belgisch onderdaan, geboren in 1948, is oud-lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en oud-minister.
De Heer Mazy, Belgisch onderdaan, geboren in 1955, is economist.
Het verzoekschrift nr. 32548/96 is oorspronkelijk ingediend door de Heer Stalport, Belgisch onderdaan, geboren in 1950, die op dat ogenblik de functie uitoefende van administrateur-generaal van de "Radio-Télévision belge". Na het overlijden van de Heer Stalport op 7 mei 1997 hebben zijn echtgenote en zijn dochters hun intentie uitgedrukt om de procedure voort te zetten, bij brief van 4 juli 1997.
De Heer Hermanus is Belgisch onderdaan, geboren in 1944. Als overheidsambtenaar was hij van 1983 tot 1986 schepen van de gemeente Jette en van 1989 tot 1996 voorzitter van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het arrondissement Brussel-Hoofdstad (GOMB).
De Heer Javeau, Belgisch onderdaan, geboren in 1943, is psycholoog.
11. In 1984 werd de Heer Javeau, bediende van de vereniging "U", benoemd tot directeur van die vereniging. Het maatschappelijk doel van die vereniging bestond in de verwezenlijking van marktstudies en opiniepeilingen alsmede in de creatie en ontwikkeling van computerprogrammatuur. De marktstudies werden met name besteld en betaald door derden zowel uit de privé-sector als uit de openbare sector (Staat, openbare instellingen, politieke partijen enz.). De vereniging verwezenlijkte eveneens marktstudies en opiniepeilingen op eigen initiatief. Op 22 augustus 1989 werd de Heer Javeau om dringende reden ontslagen, terwijl hij zich in de Verenigde Staten bevond.
12. Op 25 augustus 1989 werd de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel belast met een onderzoek met betrekking tot sommige activiteiten van de vereniging "U".
13. Op 26 augustus 1989 werd de Heer Javeau bij zijn terugkeer uit de Verenigde Staten in voorlopige hechtenis genomen. Hij werd ervan verdacht door middel van valsheid in geschriften de prijs van onderzoeksovereenkomsten afgesloten door de vereniging "U", met name met de Belgische Staat, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, overgefactureerd te hebben. Hij zou persoonlijk hebben geprofiteerd en derden ertoe in staat gesteld te profiteren van de aldus aan de vereniging gestorte meerprijs. Onder de personen die voordeel zouden hebben gehaald uit die verrichtingen, bevonden zich personaliteiten uit de politieke wereld.
14. In oktober 1989 werd V. gedelegeerd bestuurder van de vereniging "U", eveneens in voorlopige hechtenis genomen; hij werd in november 1989, het zoals de Heer Javeau, in vrijheid gesteld.
15. Op 28 augustus 1989 diende de Heer Hermanus klacht in tegen X in verband met "lasterlijke geruchten die [werden verspreid over hem], in verband met het ontslag van de Heer C. Javeau". In die klacht gaf hij uitvoerig uitslag over twee studies die hij aan de vereniging "U" had toevertrouwd in zijn hoedanigheid van secretaris-generaal van de minister van de Franse Gemeenschap van België. Die studies, waarvan er één niet zou zijn verwezenlijkt, werden toevertrouwd aan de vereniging "U", op basis van twee overeenkomsten gedateerd van respectievelijk 16 en 27 november 1987, waarvan de facturen door de Franse Gemeenschap werden betaald op 20 januari en 29 februari 1988.
16. In het kader van de vervolgingen die met name tegen de Heer Javeau werden ingesteld, heeft de onderzoeksrechter een gerechtelijk deskundige aangewezen teneinde het opgezette mechanisme bij te werken en de verantwoordelijken alsmede de begunstigden ervan te bepalen. De deskundige werd met name ermee belast de staat van de boekhouding van de vereniging te beschrijven, haar jaarrekeningen te bestuderen, te bepalen in welke mate deze al dan niet een activiteit van commerciële aard zou hebben, de stukken te individualiseren die van valsheid moeten worden beticht, en alle elementen van frauduleuze aard aan te geven binnen de perken van de vorderingen van het in onderzoek stellen en van eventuele bijkomende vorderingen.
17. De deskundige legde in december 1989 een voorlopig verslag neer.
18. Ingevolge de vorderingen werden door de onderzoeksrechter bijkomende deskundigenverslagen gevraagd. Een daarvan werd neergelegd in 1990.
19. Op 28 augustus 1991 werden huiszoekingen verricht op de woonplaats van de Heer Hermanus en op zijn kantoren van schepen in Jette.
20. Op 10 juni 1992 werd de Heer Hermanus gehoord door het Hoog Comité van Toezicht (een onafhankelijk orgaan belast met het opsporen van fraude of misdrijven begaan ter gelegenheid van de werking van openbare diensten, het verrichten van controles met betrekking tot overheidsopdrachten en het verrichten van verificaties met betrekking tot overheidssubsidies). Een proces-verbaal nr. 2337 werd naar aanleiding hiervan opgemaakt. De Heer Hermanus werd door het Comité in 1992 en 1993 nog meermaals gehoord.
21. Op 8 juni 1993 heeft een enquêteur van het Hoog Comité van Toezicht de Heer Javeau ondervraagd over bepaalde contracten afgesloten door de vereniging "U" et met name drie overeenkomsten van 1.200.000 Belgische frank (BEF), elk ondertekend door de minister M. en met betrekking tot:
- de exportgerichte Brusselse ondernemingen,
- de Brusselse ondernemingen die in onderaanneming werken,
- de door het Brusselse Gewest gesteunde ondernemingen (onder de dossiers IN B/40, B/50 en B/60).
Hem werd met name gevraagd of men "in feite niet alles had weggehaald" alvorens de minister M. het Brusselse Gewest heeft verlaten en of men niet een voorstudie had opgesplitst in drie overeenkomsten, teneinde de controle door de inspecteur van financiën te omzeilen.
Volgens het proces-verbaal van verhoor antwoordde de Heer Javeau hierop in de volgende bewoordingen:
"Ja, er werden inderdaad contracten afgesloten aan het einde van het mandaat van minister M. met het Brusselse Gewest, zoals ik U zopas heb uiteengezet, maar wat betreft de opsplitsing van de opdracht in drie contracten, denk ik dat het enkel was om tijd te winnen. Er moest immers een nieuwe minister-voorzitter worden geïnstalleerd en een andere procedure zou aanleiding hebben gegeven tot bijkomende termijnen. Indien met het contract niet zou hebben opgesplitst, zou het immers noodzakelijk zijn geweest te passeren via het advies van de inspecteur van financiën en, in geval van ongunstig advies, had men tot bij de ministerraad moeten gaan, en dit voor een overeenkomst die M. bewust wilde aanvaarden op welk niveau van de procedure dan ook."
22. Het eindverslag van de deskundigen bevat zes boekdelen, die werden neergelegd tussen december 1993 en maart 1994.
23. Verslagen betreffende de aanvragen voor bijkomende deskundigenonderzoeken werden nog neergelegd in januari en februari 1995.
24. Op 2 februari 1994 beschuldigde de onderzoeksrechter de Heer Hermanus van misbruik van vertrouwen, oplichtingen, valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, alsmede van omkoping van een ambtenaar.
25. Uit het onderzoek bleken aanwijzingen naar voren te komen van misdrijven ten laste van personaliteiten beschermd door ministeriële of parlementaire onschendbaarheden ten aanzien waarvan geen daden van vervolging of onderzoek konden worden gesteld tenzij onder de voorwaarden waarin is voorzien bij artikel 59 (lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat), 103 (ministers) of 120 (leden van de gemeenschaps- en gewestraden) van de Grondwet, zodat de onderzoekende magistraat intussentijd zijn dossier mededeelde aan het parket van het Hof van Beroep te Brussel op 7 februari 1994.
26. De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel overwoog dat inderdaad aanwijzingen van misdrijf ten laste bleken te kunnen gelegd van elf politieke personaliteiten beschermd door ministeriële of parlementaire onschendbaarheden, onder wie de Heer Coëme en minister M.
27. Op 16 maart 1994 werd de Heer Stalport gehoord in zijn hoedanigheid van voormalig kabinetschef van minister M., door twee ambtenaren van de dienst enquêtes van het Hoog Comité van Toezicht, handelend ter uitvoering van taken voorgeschreven door de onderzoeksrechter belast met de vervolgingen ingesteld tegen de Heer Javeau. Dat verhoor was in wezen gewijd aan de relaties tussen de Heer Javeau en het kabinet van minister M. en aan de werking van het kabinet. Het had met name betrekking op drie overeenkomsten gedateerd van 15 juni 1989 afgesloten tussen het Brusselse Gewest en de vereniging "U". Het proces-verbaal van dat verhoor geeft dit aspect van het verhoor in de volgende bewoordingen weer:
"V [Vraag]: Op 17.05.89 heeft de Heer Javeau aan het kabinet een ontwerp van overeenkomst overgezonden met betrekking tot een voorontwerp te verwezenlijken bij Brusselse KMO's voor een bedrag van 4.800.000 BEF exclusief BTW. De studie moest het mogelijk maken de lijst op te stellen van:
- de exportgerichte ondernemingen;
- de ondernemingen die in onderaanneming werken;
- de door het Brusselse Gewest gesteunde ondernemingen.
Enkele dagen later signaleerde U aan Javeau dat zijn ontwerp van overeenkomst voor onderzoek was overgezonden aan de administratie (bijlagen 116 tot 122 van hetzelfde verslag). Had U instructies gekregen om in die zin te handelen? Heeft U zich geïnformeerd over de mogelijkheden om een beroep te doen op de concurrentie voor het verwezenlijken van een dergelijke databank?
A [Antwoord]: Ik had geen enkele instructie in die zin ontvangen. Ten aanzien van de inlichtingen in te winnen op het vlak van het beroep op de concurrentie, heb ik dit aan de administratie overgelaten om de redenen die ik voorheen reeds heb vermeld.
[...]
V: Welke procedure moet worden gevolgd in geval van ongunstig advies van de inspecteur van financiën betreffende een project?
A: Ik weet nu dat het mogelijk was zich te wenden tot de Raad van Gewestministers voor arbitrage; op dat ogenblik kende ik die procedure niet en niemand heeft mij daarover gesproken. Men moet weten dat ik ernaar streefde de dossiers te laten vooruitgaan en dat het advies van de Inspectie van Financiën, te dezen van L., een vrij reglementair karakter had, weinig gericht op rendabiliteit. In wezen heb ik mij geërgerd aan de logheid en aan het immobilisme van de Inspectie van Financiën. Binnen mijn kabinet werd mij de raad gegeven om op andere wijze te handelen, namelijk door het contract in drie te splitsen, zodat de bedragen lager zouden zijn dan het bedrag van 1.250.000 BEF, zijnde de drempel voor de verplichte tussenkomst van de inspecteur van financiën. Ik wens erop te wijzen dat ondanks die werkwijze, ik het opgesplitste project opnieuw heb voorgelegd aan de inspecteur van financiën die ditmaal een gunstig advies heeft uitgebracht.
V: U legt ons drie overeenkomsten voor die op 15.06.89 werden afgesloten tussen het Brusselse Gewest, vertegenwoordigd door minister M. en de vereniging "U", vertegenwoordigd door Javeau (cfr. bijlagen 100 tot 111 bij het deskundigenverslag). Elk van die overeenkomsten heeft als onderwerp een voorstudie te verwezenlijken bij Brusselse KMO's teneinde te bepalen welke ervan geïnteresseerd zouden zijn om voor te komen in een databank zoals die welke is beschreven in het aanvankelijke project. Elk van die overeenkomsten betreft een van de drie criteria die voorheen zijn vermeld. Zij vertegenwoordigen een totale kostprijs voor de voorstudie van 3.600.000 BEF exclusief BTW, te vergelijken met het aanvankelijke project dat een kostprijs vertegenwoordigde van 4.800.000 BEF exclusief BTW. Is die vermindering niet het gevolg van de noodzaak om het aanvankelijke project in 3 te delen, vermits er 3 criteria waren, waarbij tevens zou worden vermeden dat elk van de 3 overeenkomsten meer zou bedragen dan 1.250.000 BEF exclusief BTW, zijnde de drempel voor de tussenkomst van de inspecteur van financiën.
A: Ik wens hier te antwoorden dat ik opnieuw het advies van de Inspectie van Financiën heb aangevraagd hoewel men zich in elk van die gevallen beneden de drempel van 1.250.000 BEF exclusief BTW bevond. Ik wens opnieuw erop te wijzen dat de opsplitsing in drie projecten heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering, zijnde 25% van de kosten van het totale volume.
V: Toont overigens het feit dat Javeau ermee instemt hetzelfde werk uit te voeren voor 3.600.000 BEF niet aan dat de oorspronkelijke overeenkomst, aanvaard door het kabinet en door de administratie, overgewaardeerd was.
A: De opmerking in verband met de oorspronkelijke prijs is niet verkeerd, maar het akkoord met betrekking tot 3.600.000 BEF is wellicht het gevolg van een drie- of vierpartijenakkoord tussen het kabinet, de administratie, de Inspectie van Financiën en de vereniging "U". Dit is een veronderstelling aangezien ik mij op dit ogenblik niet de precieze details met betrekking tot dit dossier kan herinneren.
[...]
V: U overhandigde ons een vastleggingsbulletin met betrekking tot een van de overeenkomsten afgesloten met de vereniging "U" op 15 juni 1989. Dat document draagt de handtekening voor vastlegging van de inspecteur van financiën, M. L., op datum van 30 juni 1989. Had M. L. de mogelijkheid om zich te verzetten tegen de uitvoering van die overeenkomst, waarbij zijn advies niet blijkt te zijn aangevraagd vóór de afsluiting van de overeenkomst?
A: Ik wens hier eraan te herinneren dat ik niet verplicht was het dossier aan L. te zenden, rekening houdende met het bedrag ervan. Maar, aangezien ik meer te maken had met de administratie en met het kabinet, heeft zij automatisch, voor vastlegging, het bulletin ad hoc overgezonden aan de inspecteur van financiën. Volgens mij heeft M.L. wel degelijk de overeenkomst ontvangen voordat zij werd afgesloten.
V: Wij wijzen U erop dat bij de ontvangst van die drie overeenkomsten de administratie slechts een enkel nummer van vastlegging heeft toegekend voor elk van die overeenkomsten (zie bijlagen 130 en 131 van hetzelfde verslag). Wij leggen U een reeks andere documenten voor die aanwijzen dat de administratie ten onrechte heeft gemeend te maken te hebben met een enkel contract, in die mate dat wanneer de vereniging "U" haar drie facturen heeft overgezonden met betrekking tot een gedeeltelijke betaling van elk van de drie overeenkomsten, P. de aandacht van Javeau erop heeft gewezen dat hij meende dat er een vergissing was met betrekking tot de vereniging "U". Hij heeft immers drie originele exemplaren gevraagd van hetgeen hij meende een en dezelfde factuur te zijn, die niet drie verschillende nummers konden dragen (zie bijlagen 130 tot 136 van hetzelfde verslag). L. heeft dus slechts een bulletin met betrekking tot een enkele overeenkomst voor vastlegging kunnen viseren?
A: Ja, dit is zo. Maar dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid. De totaliteit van het beheer van het dossier behoorde tot de bevoegdheid van de administratie.
[...]
V: Wat betreft de handtekening voor vastlegging van de Inspectie van Financiën voor overeenkomsten voor een bedrag dat lager is dan de drempel van haar tussenkomst, zou het dan nog mogelijk zijn dat de inspecteur een opportuniteitsadvies uitbrengt?
A: Het is juist dat op het vlak van het administratief recht zijn visum niet vereist lijkt te zijn voor dergelijke vaststellingen. Niettemin, wat mij betreft, en rekening houdende met mijn gebrek aan ervaring inzake begrotingstechniek, heb ik in alle aangelegenheid de voorkeur eraan gegeven een beroep te doen op het visum van de inspecteur van financiën, waarbij ik ervan uitging dat het aldus voor mij ging om een garantie van wettigheid uitgaande van de begrotingsadviseur van de minister. Bijgevolg, indien M. L. uitdrukkelijk had geweigerd het vaststellingsbulletin te ondertekenen, zou ik het niet hebben overschreden. U zegt mij dat er een tegenstelling bestaat tussen hetgeen ik U uitleg en de splitsing van het oorspronkelijke project geweigerd door M.L. Ik antwoord U dat men mij de raad heeft gegeven om aldus te handelen en dat ik ervoor heb gezorgd dat M.L. de drie nieuwe overeenkomsten zou viseren.
Na gedane lezing, volhardt en tekent met ons."
28. Bij een brief van 75 pagina's, gedateerd van 30 juni 1994, zond de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers "een dossier waaruit volgens [hem] aanwijzingen van misdrijf blijken ten laste van M. [...] Guy Coëme [...] oud-minister". Die brief preciseerde: "Het gaat met namen om feiten van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, oplichting, misbruik van vertrouwen en omkoping, als
mededader, bedoeld bij de artikelen 66, 193, 196, 197, 213, 214, 248, 491 en 496 van het Strafwetboek. Die feiten, die overigens andere kwalificaties kunnen krijgen, [...] zouden zijn begaan op tijdstippen waarop [hij] ministeriële functies [uitoefende] [...]. Hieruit blijkt dat de bepalingen van artikel 103 van de Grondwet te dezen toepassing kunnen vinden."
Na een synthese van de zaak zette het dossier de feiten en aanwijzingen van misdrijf toegeschreven aan de Heer Coëme uiteen, waarbij de periode waarin het misdrijf zou zijn begaan zich uitstrekte van 30 maart 1981 tot 8 december 1989. De brief bracht twee andere ministers of oud-ministers in het geding, alsmede acht andere parlementsleden, waarbij de procureur-generaal evenwel ervan uitging, dat, wat zes van hen betrof, de feiten wellicht verjaard zouden zijn.
De procureur-generaal zette eveneens een algemeen probleem van verjaring van de strafvordering uiteen. Artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993, in werking getreden op 31 december 1993, heeft immers geleid tot een verlenging van de verjaringstermijn van drie tot vijf jaar en, volgens de tekst van die bepaling, was de wetswijziging van toepassing op "alle strafvorderingen die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn ontstaan en op die datum nog niet zijn verjaard". De procureur-generaal oordeelde aldus: "In deze zaak zijn alle strafbare feiten, begaan vóór 1 januari 1988, op mijn minst verjaard. Voor de feiten van voor die datum begint de eerste verjaringstermijn te lopen, die verstrijkt op 1 januari 1991. De eerste handeling die de verjaring onderbreekt is gesitueerd in augustus 1989, en meer bepaald op 25 augustus 1989, datum waarop de vorderingen tot onderzoek werden gericht aan de onderzoeksrechter."
De procureur-generaal richtte die aanzegging aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers om deze ertoe in staat te stellen "de prerogatieven uit te oefenen die aan haar zijn verleend bij artikel 103 van de Grondwet". Voor zover nodig verzocht hij bovendien om de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van de drie ministers die in het geding waren gebracht, onder wie de Heer Coëme en minister M.
29. De Kamer van volksvertegenwoordigers, bijeengekomen op 1 juli 1994 in voltallige zitting, stelde volgens de regel van de proportionele vertegenwoordiging een bijzondere commissie samen. Deze hoorde afzonderlijk de onderzoeksrechter, de gerechtelijk deskundige en de Heer Coëme, bijgestaan door zijn advocaten.
Bij beslissingen van 8 juli 1994 gaf de bijzondere commissie aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers de aanbeveling om de verwijzing van de Heer Coëme naar het Hof van Cassatie te gelasten en die verwijzing niet te gelasten voor de twee andere ministers. Wat minister M. betreft, stelde zij:
"De bijzondere commissie, alle andere aangevoerde middelen afwijzende, beslist de Kamer van volksvertegenwoordigers aan te bevelen te besluiten:
- dat er een aanleiding toe bestaat [minister M.] naar het Hof van Cassatie te verwijzen in het kader van de overeenkomsten in B040, 050 en 060, en
- dat voor de andere feiten, er geen aanleiding bestaat voor de Kamer van volksvertegenwoordigers om zich uit te spreken in het kader van artikel 103 van de Grondwet."
30. De aanbeveling werd in precies dezelfde bewoordingen aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers op haar vergadering van 14 juli 1994, met honderdveertig stemmen tegen negenendertig, met twee onthoudingen.
31. Na de beslissing van de Kamer van volksvertegenwoordigers meende de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie in het belang van een goede rechtsbedeling de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te moeten vragen dringend een raadsheer bij het Hof aan te wijzen in hoedanigheid van onderzoekend magistraat, met als opdracht het onderzoek van de feiten te vervolledigen en voort te zetten, in nauwe samenwerking met de onderzoeksrechter belast met de zaak.
32. Bij beschikking van 21 juli 1994 wees de eerste voorzitter, die de verzoeken inwilligende, raadsheer F. aan en gelastte hem met die taak.
33. Op 9 mei 1995 deelde raadsheer F. de stukken van de rechtspleging aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie mede met het oog op de vorderingen.
34. Na de verkiezingen die in april 1995 werden gehouden, oefende de Heer Hermanus, vanaf 6 juni 1995, de functie uit van raadslid in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad.
Op 26 juni 1995 vroeg de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, bij brief gericht aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, "gelet op het voorschrift van de artikelen 59, derde lid, en 120 van de Grondwet", hem "te laten weten of de Raad [meende] de opschorting te moeten vorderen van de vorderingen die waren ingesteld toen de Heer Hermanus nog niet de functie bekleedde" van hoofdstedelijk raadslid.
Op 10 juli 1995 besliste de Raad de vervolgingen tegen de Heer Hermanus "toe te staan" voor het onderzoek van de zaak voor een correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en "zijn beslissing voor te behouden ten aanzien van alle andere vervolgingen tot verder onderzoek, teneinde de verenigbaarheid ervan met de uitoefening door de betrokkene van zijn mandaat te beoordelen".
Op 25 september 1995 vroeg de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad "de Brusselse Hoofdstedelijke Raad te willen verzoeken binnen de kortste termijn uitspraak te doen over dit verzoek tot machtiging met het oog op de vervolging van de Heer Hermanus voor het Hof van Cassatie".
Op advies van zijn vervolgingscommissie besliste de Raad op zijn vergadering van 18 oktober 1995 de gevraagde machtiging te verlenen, van oordeel zijnde dat "de samenhang [was] vastgesteld bij de beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 september 1995, gewezen na de beslissing van de Raad van 10 juli 1995". Hij oordeelde eveneens dat "de vraagstukken betreffende de samenhang, de evenredigheid van de feiten en de gevolgen van de verwijzing naar het Hof van Cassatie hem van de redelijke duur van het onderzoek van de zaak, onder de beoordeling van de feitenrechter vallen en dat de vervolgingscommissie zich niet uit te spreken heeft".
35. Inmiddels had de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel immers bij niet op tegenspraak gewezen beschikking van 33 september 1995 een beslissing genomen waarbij de zaak werd onttrokken aan de aangewezen onderzoeksrechter.
36. Buiten de Heer Coëme besliste het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie dat hof zeven andere personen te vervolgen, onder wie de vier overige verzoekers. Het oordeelde dat het onderzoek een systeem aan het licht bracht van onwettige financiering van activiteiten van bepaalde politici. Het betrof het afsluiten, ten laste van de overheid, van contracten waarvan de prijs overgewaardeerd was teneinde de medecontractant ertoe in staat te stellen aan derden een gedeelte van de prijs over te dragen om de kosten van die activiteiten te dekken. Volgens het openbaar ministerie bestonden de betrokken praktijken erin te onderhandelen en contracten af te sluiten voor diverse studies of peilingen, met name te verwezenlijken door de vereniging "U" ten "bate" van ministeries. De in het kader van die contracten toegekende budgetten waren overgewaardeerd ten opzichte van de reële kostprijs van de uitgevoerde studies en peilingen en ten opzichte van het daarvan te verwachten voordeel. Men zorgde bovendien ervoor te vermijden dat de concurrentie zou spelen waarin is voorzien voor overheidsopdrachten en die zou hebben willen beletten dat bepaalde opdrachten werden toegewezen aan de vereniging "U", en tevens zorgde men ervoor de interne controles binnen de administratie te vermijden, met name die van de inspectie van financiën, die het overgewaardeerde karakter van sommige prijzen aan het licht had kunnen brengen. Om dit te doen zorgde men ervoor dat de drempels die de toepassing van de reglementeringen en circulaires inzake overheidsopdrachten en procedures van interne controle binnen de administratie met zich meebrengen, niet werden bereikt. Het openbaar ministerie verweet ook aan sommige beklaagden (onder wie de Heer Javeau) de frauduleuze terugbetaling van sommige onkostennota's. Het oordeelde ten slotte dat twee van de verzoekers, de Heren Stalport en Mazy, hoewel zij niet van die contracten hadden geprofiteerd, aan de totstandkoming ervan hadden meegewerkt.
37. Op 3 november 1995 om 11 uur ontving de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de raadslieden van vijf van de door het onderzoek in het geding gebrachte personen, onder wie de Heren Coëme en Javeau, om hen op de hoogte te brengen van de genomen maatregelen voor de organisatie van het proces. De procureur-generaal overhandigde aan de deelnemers van de vergadering een afschrift van de dagvaarding die hij zich voornam te laten betekenen aan hun cliënten. Hij zou hebben voorgesteld een terechtzitting te houden begin januari 1996. Na het protest van de advocaten zou hij de opening van de debatten hebben verplaatst naar 5 februari 1996, ondanks het door de advocaten mondeling geuite voorbehoud ten aanzien van de te korte termijn die hun was toebedeeld om de verdediging van hun respectieve cliënten voor te bereiden. Hij zou ook hebben gepreciseerd dat de debatten voor het Hof van Cassatie de gewone correctionele procedure zouden volgen.
De Heer Stalport werd niet uitgenodigd op die vergadering. Hij had verklaard dat hij op dat ogenblik geen advocaat had geraadpleegd aangezien hij meende niet in het geding te zijn gebracht.
38. Bij deurwaardersexploten betekend tussen 8 en 15 november 1995, werden de acht door het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie in het geding gebrachte personen gedagvaard om voor dat Hof te verschijnen op 5 februari 1996, om er te antwoorden op verschillende tenlasteleggingen gesitueerd in het kader van het afsluiten van overheidsopdrachten toevertrouwd aan de vereniging "U", toen de Heer Coëme lid van de regering was.
Enkel de Heer Coëme was getroffen door artikel 103 van de Grondwet; de overige verdachten waren uitgenodigd te verschijnen op grond van de artikelen 126 en 227 van het Wetboek van Strafvordering, vanwege de samenhang tussen de aan hen verweten feiten en die welke aan de Heer Coëme waren toegeschreven.
39. Bij deurwaardersexploot betekend op 10 november 1995, werd de Heer Stalport uitgenodigd te verschijnen voor het Hof van Cassatie wegens de tenlasteleggingen van valsheid in geschriften, omkoping van een ambtenaar en oplichting, begaan in het kader van het afsluiten van overheidsopdrachten waarbij hij betrokken was in zijn hoedanigheid van kabinetschef van minister M., die niet naar het Hof van Cassatie was verwezen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. In de dagvaarding werden de hem ten laste gelegde feiten, als volgt gepreciseerd:
"A. De eerste (Coëme), de tweede (Javeau), de derde (V.), de vierde (Hermanus), de vijfde (Stalport), de zesde (H.) en de zevende (Mazy)
als ambtenaar of openbaar officier of in samenwerking met een ambtenaar of een openbaar officier,
met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, bij het opmaken van akten van hun ambt, het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst, hetzij door andere overeenkomsten te schrijven dan die welke de partijen hebben opgegeven of gedicteerd, hetzij door als waar op te nemen, feiten die het niet waren, inzonderheid:
[...]
3) wat de tweede (Javeau) en de vijfde (Stalport) betreft:
de vijfde wordt ervan verdacht in de hoedanigheid van kabinetschef van de minister van het Brusselse Gewest, met bedrieglijk opzet om bij de toewijzing van een overeenkomst de op de overeenkomsten met de overheid toepasselijke regels en procedures te omzeilen, en meer bepaald met het opzet om zich aan de controle van de inspectie van Financiën te onttrekken, een overeenkomst waarover de inspectie van Financiën een ongunstig advies had uitgebracht, te hebben vervangen of doen vervangen door drie overeenkomsten d.d. 15 juni 1989, elk voor een lager bedrag dan voor het optreden van de inspectie van Financiën vereist is, maar die tezamen betrekking hadden op dezelfde aangelegenheid als de afgewezen overeenkomst, te dezen inzonderheid, een studie voor de kleine en middelgrote ondernemingen;
(overeenkomsten IN B 040, B 050 en B 060 - zie met name: RE, T. IV, p. 13 tot 19 en bijlagen 100 tot 111; C 5, f 2, p. 179; C 12, f 5, p. 2 en 4)."
40. Op 18 januari 1996 richtten de raadslieden van diverse beklaagden tot het Hof van Cassatie een verzoek tot verdaging van de zaak naar een latere terechtzitting, waarbij zij deden gelden dat het hun ondanks al hun inspanningen onmogelijk was de voorbereiding van de verdediging van hun cliënten op correcte wijze te verzekeren.
41. Bij de opening van de terechtzitting van 5 februari 1996 kondigde de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie aan dat het onderzoek zou geschieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering.
De terechtzitting werd gewijd aan een verzoek tot verdaging van de debatten, geformuleerd door verscheidene beklaagden, teneinde te beschikken over de nodige tijd om hun verdediging te verzekeren met inachtneming van hun rechten. Die personen legden te dien einde conclusies neer. Bij een tussenarrest van 6 februari 1996 oordeelde het Hof van Cassatie dat die beklaagden over de nodige tijd hadden beschikt om hun verdediging voor te bereiden, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk vlak.
42. Op de terechtzitting van 6 februari 1996 legde de Heer Coëme eerste conclusies neer met betrekking tot de ontstentenis van een wet ter uitvoering van artikel 103 van de Grondwet, ondanks de uitdrukkelijke wil die door het Nationaal Congres te kennen was gegeven. Die tekortkoming van de wetgever had de als overgangsbepaling opgevatte bepaling laten voortbestaan, die door het Nationaal Congres was aangenomen teneinde een juridisch vacuüm op te vullen: artikel 134, eerste lid, van de Grondwet, dat later de overgangsbepaling van artikel 103 is geworden.
Hij wees er allereerst op dat, hoewel de grondwetswijziging van 5 mei 1993 de woorden "met karakterisering van het misdrijf en bepaling van de straf" vervat in de overgangsbepaling van artikel 103 van de Grondwet had vervangen door de woorden "in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald", die grondwetswijziging geen terugwerkende kracht kon hebben voor de tegen hen geuite tenlasteleggingen met betrekking tot feiten die gesitueerd zijn tussen 29 maart 1981 en 30 november 1990, op straffe van schending van met name artikel 7, lid 1, van het Verdrag.
Hij voegde eraan toe dat hoewel de overgangsbepaling aan het Hof van Cassatie een discretionaire bevoegdheid verleende om de door de Kamer van volksvertegenwoordigers in beschuldiging gestelde ministers te berechten wat betreft hun verantwoordelijkheid en de op te leggen straffen, de bepaling noch aan het Hof van Cassatie noch aan de Kamer van volksvertegenwoordigers een soortgelijke bevoegdheid verleende met betrekking tot de wijze waarop tegen hen in rechte wordt opgetreden. Bijgevolg had het Hof van Cassatie zelf, eigenmachtig, de toepasselijke procedureregels vastgesteld, met miskenning van het beginsel van de legaliteit van de rechtspleging van de rechtbank.
43. Op de terechtzitting van 6 februari 1996 legde de Heer Coëme tweede conclusies neer met betrekking tot de procedure gevolgd door de bijzondere commissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers en met betrekking tot de saisine van het Hof van Cassatie.
44. Op de terechtzitting van 7 februari 1996 legde de Heer Stalport conclusies neer volgens welke geen enkele bepaling van Belgisch recht zijn rechtstreekse verwijzing naar het Hof van Cassatie mogelijk maakte. In nieuwe conclusies zette hij bovendien uiteen dat er geen enkele samenhang bestond tussen het hem ten laste gelegde misdrijf en het misdrijf dat de Heer Coëme ten laste werd gelegd. Hij voegde eraan toe dat, mocht het Hof van Cassatie het tegenovergestelde oordelen, het dan aan het Arbitragehof een prejudiciële zou moeten voorleggen met betrekking tot de schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie door wettelijke bepalingen die een beklaagde naar het Hof van Cassatie verwijzen die niet de hoedanigheid van minister heeft. Hij nodigde bijgevolg het Hof uit zich onbevoegd te verklaren om hem te berechten bij ontstentenis van samenhang of, in ondergeschikte orde, aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 13 en 147 van het Grondwet, geschonden door de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering in zoverre zij tot gevolg hebben dat de berechting van een beklaagde die niet de hoedanigheid van minister heeft, wordt opgedragen aan het Hof van Cassatie, uitspraak doende ten gronde?"
45. Ter terechtzitting van 8 februari 1996 legde de Heer Coëme derde conclusies neer waarin hij het Hof van Cassatie verzocht de uitspraak uit te stellen betreffende de gegrondheid van de vorderingen van het openbaar ministerie, tot het Arbitragehof uitspraak heeft gedaan over de volgende prejudiciële vraag:
"Roept de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering, voortvloeiende uit artikel 21 van de wet van 17 april 1978 [lees: 1878] houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 december 1993, in zoverre zij van toepassing zou zijn op alle strafvorderingen die vóór de inwerkingtreding ervan tot stand zijn gekomen en op die datum nog niet zijn verjaard, en langere termijnen invoert, een discriminatie in het leven die strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ten opzichte van de situatie van diegenen op wie, afhankelijk van de datum waarop de feiten zijn begaan, de verjaringstermijn van het vroegere voormelde artikel 21 van toepassing is?"
46. Aan het begin van de terechtzitting van 12 februari 1996 las de eerste voorzitter het tussenarrest voor waarbij het Hof verklaarde dat de zaak op regelmatige wijze aanhangig was gemaakt en dat het bevoegd was, en zegde dat er geen aanleiding toe bestond aan het Arbitragehof door de beklaagden voorgestelde prejudiciële vragen in verband met de samenhang te stellen. Het Hof motiveerde zijn arrest door erop te wijzen dat "de overgangsbepaling van artikel 103 van de Grondwet [...] van toepassing is zowel op de feiten, die voorafgaan aan de grondwetswijziging van 5 mei 1993 als op de feiten die daarop volgen". Het Hof voegde eraan toe dat de discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikte beperkt was vermits zij verplicht was bepaalde procedurenormen te volgen, en voegde de volgende overwegingen eraan toe:
"Overwegende dat het Hof, dat verplicht is de zaak te berechten, zich, wat de rechtspleging betreft, dient te gedragen naar de bepalingen met directe werking in de nationale rechtsorde, die vervat zijn in het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en in het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, naar de Grondwet, de regels van het Gerechtelijk Wetboek, de gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op alle strafrechtsplegingen, alsook naar de algemene rechtsbeginselen;
Overwegende dat de Grondwetgever, door het Hof de macht te verlenen om de ministers te berechten 'in de gevallen die in de strafwetten zijn bepaald', noodzakelijkerwijze, wat de rechtspleging betreft, verwezen heeft naar de door de wetgever voor die gevallen voorgeschreven procedure, namelijk het Wetboek van Strafvordering, voor zover het verenigbaar is met de bepalingen die de rechtspleging regelen voor het Hof van Cassatie, zitting houdende met verenigde kamers;
Overwegende dat het Hof, in deze mate, toepassing maakt van de vormen bepaald in boek II, eerste titel, hoofdstuk II, van het Wetboek van Strafvordering met als opschrift 'correctionele rechtbanken';
Dat die wettelijke, toegankelijke en voorzienbare regels de volledige uitoefening van het recht van verdediging en een eerlijk proces waarborgen;
Dat het Hof door toepassing te maken van de bestaande regels, niet als wetgever optreedt."
47. Het Hof sprak zich in de volgende bewoordingen uit over de samenhang en de daarop betrekking hebbende prejudiciële vragen:
"Over de samenhang:
Overwegende dat de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering geen uitdrukking zijn van een algemeen rechtsbeginsel, maar regels zijn die gelden voor en toepasselijk zijn op alle strafrechtsplegingen;
Overwegende dat de samenhang niet noodzakelijkerwijze vooraf moet zijn vastgesteld door een onderzoeksgerecht;
Dat de feitenrechter, wanneer hij geadieerd wordt ingevolge een regelmatige verwijzing of een regelmatige rechtstreekse dagvaarding, zelf het bestaan van de samenhang en derhalve de omvang van de aanhangigmaking en van zijn bevoegdheid i.v.m. de samenhangende misdrijven beoordeelt;
Overwegende dat het bestaan van samenhang tot gevolg heeft dat alle mededaders van of medeplichtigen aan samenhangende [misdrijven samen door hetzelfde rechtscollege worden berecht;] dat bijgevolg, wanneer er een samenhang bestaat tussen strafbare feiten die aan een minister worden verweten en feiten die ten laste worden gelegd aan andere justitiabelen, de bevoegdheid die de Grondwet toekent aan het Hof van cassatie, tot gevolg heeft dat alle vervolgingen worden gebracht voor dit hoogste rechterlijk orgaan;
Overwegende dat artikel 147 van de grondwet de macht van het Hof afbakent wanneer het uitspraak doet over de voorzieningen in cassatie;
Dat, gelet op die samenhang, de macht van het Hof om de ministers te berechten ook de macht insluit om andere justitiabelen te berechten voor wie het Hof in dat geval en met uitsluiting van alle andere de rechter is die de wet hen toekent overeenkomstig artikel 13 van de grondwet;
Overwegende dat de regels van de samenhang, die van algemene toepassing zijn, geen willekeurig onderscheid in de behandeling van de vervolgde personen doen ontstaan in de zin van artikel 14 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden;
Overwegende voor het overige dat het Hof bij het onderzoek van de zaak zelf zal moeten nagaan of er samenhang bestaat tussen de in de dagvaarding vermelde misdrijven; dat, wat dit betreft, het tussengeschil moet worden behandeld samen met de zaak zelf;
[...]
Wat de discriminatie en de prejudiciële vragen betreft:
Overwegende dat de beklaagden aanvoeren dat, in de mate dat zij volgens de regels inzake samenhang voor het Hof gebracht zijn, zulks aanleiding geeft tot een bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discriminatie;
Dat zij vorderen dat aan het Arbitragehof prejudiciële vragen worden gesteld teneinde door dat Hof te doen zeggen of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden door de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering, in zoverre laatstvermelde artikelen tot gevolg hebben dat een beklaagde die niet de hoedanigheid van minister heeft voor het Hof van Cassatie, uitspraak doende o ver de zaak zelf, wordt gebracht; dat de beklaagde Stalport hetzelfde vordert, met verwijzing naar dezelfde artikelen, samen met de artikelen 12, 13 en 147 van de Grondwet;
Dat bovendien wordt gevorderd dat aan het Arbitragehof vragen worden gesteld: door de beklaagde Javeau over een tegenstrijdigheid tussen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de artikelen 226, 227, 479 en 501, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl door de beklaagden V., Hermanus en Mazy zulks wordt gevorderd over de tegenstrijdigheid tussen de voormelde artikelen 10 en 11 n de artikelen 226, 227, 307 en 501? tweede lid, 526, 540 van het Wetboek van Strafvordering, en 30, 31, 566, 753, 856, 1053, 1084 en 1153 van het Gerechtelijk Wetboek 'in de mate dat die artikelen algemeen rechtsbeginselen bekrachtigen op grond waarvan het Hof van Cassatie van de vervolging vermag kennis te nemen';
Overwegende dat, ook al zou het ontnemen van de mogelijkheid om zich voor de onderzoeksgerechten te verdedigen, en het ontnemen van een dubbele aanleg, alsook van de voorziening in de cassatie, schending uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die artikelen zouden geschonden zijn, niet door de in de conclusies aangewezen artikelen, maar door artikel 103 van de Grondwet, waarbij het Hof van Cassatie bevoegdheid wordt verleend om de ministers te berechten onder de bij die grondwetbepaling vastgestelde voorwaarden;
Overwegende dat artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bepaalt dat dit Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet bij wege van arrest over vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet;
Overwegende dat de vorderingen van de beklaagden, buiten het toepassingsgebied van voormeld artikel 26 vallen."
48. Na de uitspraak van het arrest deed een van de raadslieden van de beklaagden, die zich uitte namens het geheel van de verdediging, opmerken dat het Hof zelf de regels van de toepasselijke procedure vaststelde en uitte hij het voorbehoud waarbij hij verwees naar artikel 6 van het Verdrag. Hij vroeg eveneens of het Hof overwoog om overeenkomstig het tweede lid van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering over te gaan tot de voorlezing, door de griffier, van de 30.000 bladzijden die het dossier samenstelden, waarbij hij verklaarde dat als men verwees naar de gebruiken van de correctionele rechtbank, het paste dat sommige punten ervan werden toegepast en andere niet. Het Hof gaf geen gevolg aan dat verzoek.
49. In de loop van de terechtzitting van 12 februari 1996 gaf de procureur-generaal vervolgens een uiteenzetting van de zaak, die op 13 februari 1996 werd voortgezet. Bij het begin van zijn uiteenzetting drukte hij zich met name uit in de volgende bewoordingen:
"Ik zal de feiten onderzoeken die de Heer Coëme ten laste werden gelegd alsmede de feiten en tenlasteleggingen die de Heren Javeau en V. worden verweten, maar wat de twee laatstgenoemde beklaagden betreft enkel in de mate waarin die feiten en tenlasteleggingen nauw verbonden zijn met die welke de Heer Coëme worden verweten.
De Heer eerste advocaat-generaal zal van zijn kant de andere feiten en tenlasteleggingen behandelen die de Heren Javeau en V. worden verweten, alsmede die welke de Heer Hermanus worden verweten."
50. Volgens de Heren Javeau en Stalport zou de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie op een bepaald ogenblik de uiteenzetting van de eerste advocaat-generaal hebben onderbroken, en eraan herinneren hebben dat het in dit stadium van de debatten niet ging om een vordering.
51. Op 16 februari 1996 begon het Hof van Cassatie met het verhoor van de beschuldigden en beklaagden. Het hoorde eveneens de partijen ten aanzien van het opstellen van een tijdschema voor de voortzetting van de werkzaamheden van het Hof en de volgorde van het verloop der debatten. Bij die gelegenheid stelde het openbaar ministerie voor de verdediging te horen vóór de vordering. Na beraadslaging verklaarde de eerste voorzitter dat het Hof had beslist "de debatten voort te zetten in de hierna genoemde volgorde:
1. voortzetting van het verhoor van de beschuldigden en beklaagden,
2. pleidooi van de burgerlijke partij,
3. vordering van het openbaar ministerie,
4. tussenkomst van de verdediging,
5. eventuele replieken".
52. Op 20 februari 1996 werd de Heer Stalport gehoord, tegelijkertijd met de Heer Javeau, ten aanzien van de feiten die hem werden verweten.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari bevat de volgende vermeldingen:
"Ter openbare terechtzitting van 20 februari 1996 van het Hof van Cassatie, zitting houdende in verenigde kamers, in de zaal van zijn plechtige zittingen, waar aanwezig waren en zitting namen:
De eerste voorzitter Stranard, de voorzitter D'Haenens, de afdelingsvoorzitter Marchal, de raadsheren Ghislain, Rappe en Charlier, de afdelingsvoorzitter Baeté-Swinnen, de raadsheren Willems, Lahousse, Jeanmart, Verheyden, Verougstraete, Forrier, Boes, D'Hont, Wauters, Dhaeyer, Bourgeois en Huybrechts; de procureur-generaal baron J. Velu, de eerste advocaat-generaal du Jardin, de hoofdgriffier Vander Zwalmen, bijgestaan door de griffier Sluys en de gemachtigd griffier Van Geem,
[...]
De beklaagde Stalport verklaart: Ik ben voor de eerste en laatste maal gehoord op 16 maart 1994, in het kader van een procedure waarin [de minister] M. in het geding werd gebracht; men heeft mij gezegd dat ik verhoord werd als getuige, en dat ik niet moest worden geconfronteerd; op geen enkel ogenblik heb ik de gelegenheid gehad om mijn middelen te doen gelden. Ik bevestig de verklaringen die ik ter gelegenheid van dat verhoor heb afgelegd.
[...]
Vraag aan Stalport:
Is het juist dat U het project bij de ontvangst ervan zonder verdere formaliteit heeft overgezonden aan de administratie voor onderzoek en dat U na gunstig advies van de administratie het dossier heeft voorgelegd aan de inspecteur van financiën op 23 mei 1989?
Antwoord van Stalport:
Ja, het project maakte deel uit van een geheel dat werd voorgelegd aan de administratie en dat betrekking had op een globale som van 20 miljoen. Het is dat moment [bedrag] dat aanleiding heeft gegeven tot een ongunstig advies, mede vanwege de uiteenlopende meningen van de administratie en van de inspectie van financiën.
[...]
Vraag aan Stalport:
Wat is volgens U de reden waarom op 15 juni 1989, ondanks het negatieve advies van inspectie van financiën, drie overeenkomsten werden getekend die het voorwerp uitmaken van de tenlastelegging en die, in hun geheel, precies hetzelfde voorwerp hebben waarbij elke overeenkomst evenwel is beperkt tot het bedrag van 1.200.000 frank?
Antwoord van Stalport:
Na de weigering heb ik de minister ondervraagd. Hij heeft mij de politieke opportuniteit om ermee door te gaan, bevestigd. Ik heb de minst dure oplossing gezocht. Enkele weken later hebben mijn medewerkers mij een nieuw project voorgelegd.
Vraag aan Javeau:
Toont dit niet aan dat de oorspronkelijke lening van 4.800.000 frank overgewaardeerd was?
Antwoord van Javeau:
Neen, Stalport heeft wel degelijk geantwoord, men heeft het project gewijzigd.
Vraag aan Stalport:
Legde de van kracht zijnde procedure aan de minister, ten aanzien van de weigering van visum van de inspecteur van financiën, niet de verplichting om een beroep te doen aan de arbitrage van de minister van begroting, en in het geval waarin deze eveneens een negatief advies zou uitbrengen, gebruik te maken van de mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de Ministerraad, die in laatste aanleg zou hebben beslist?
Antwoord van Stalport:
M. was eveneens minister van begroting. Men wilde zich lanceren in een veel beperkter project, men heeft een voorstudie gemaakt. Ik ben van mening dat de oplossing van het opsplitsen niet werd gekozen om aan de controle van financiën te ontsnappen. Als men de administratieve procedures had gevolgd, had het project niet kunnen worden opgestart. Mijn functie van kabinetschef verplichtte mij ertoe ervoor te zorgen dat de zaken snel gaan. Hoewel men niet de klassieke procedure heeft gevolgd, is er toch een controle van financiën geweest.
[...]
Vraag aan Stalport:
Wie heeft op het niveau van het kabinet beslist het negatieve advies van de inspecteur van financiën naast zich neer te leggen en de overeenkomst zodanig op te splitsen dat men niet aan het desbetreffende advies gebonden was?
Antwoord van Stalport:
De beslissing om ermee door te gaan werd genomen door de minister, waarbij de oplossing erin bestond de draagwijdte van het aanvankelijke project te beperken. Ongeacht het vastgelegde bedrag had de inspectie van financiën een controle- en adviesbevoegdheid. Zelfs als een overeenkomst vanuit financieel oogpunt beperkt was, bleef zij correct op het vlak van de transparantie.
[...]
Vraag aan Stalport:
U heeft in hoofdzaak verklaard (p. 9540) dat U zich ergerde aan de logheid en het immobilisme van de inspectie van financiën en dat U binnen Uw kabinet de raad had gegeven om op een andere manier te handelen, namelijk door het contract in drie delen te splitsen zodat de bedragen lager zouden zijn dan het bedrag van 1.250.000 frank, zijnde de drempel voor het verplichte optreden van de inspecteur van financiën, en U heeft eraan toegevoegd dat U ondanks die werkwijze het opgesplitste project opnieuw heeft voorgelegd aan de inspecteur van financiën, die ditmaal een gunstig advies heeft uitgebracht, en dat de opsplitsing van het project in drie delen had geleid tot een beduidende vermindering met 25% van de kosten van het totale volume. Bevestigt U die beoordeling van Uw houding?
Antwoord van Stalport:
Ja, want de procedure van de inspectie van financiën duurde een zekere tijd; men wilde snel tewerkgaan en men heeft een beroep gedaan op een andere procedure, evenwel met een visum van de inspectie van financiën, procedure die sneller was maar dit de controle behield; ik beschikte over weinig tijd en er moest een oplossing worden gezocht door beroep te doen op een snellere procedure, die van het visum op het ordonnanceringsbulletin. Ik wist dat rekenschap moest worden afgelegd aan de minister; ik heb erop aangedrongen dat de inspectie van financiën haar handtekening zou plaatsen in elk dossier, en dit is gebeurd ook voor die waarvoor dit niet verplicht was.
Vraag aan Stalport:
Heeft U kennis gehad van de nota gericht aan C., minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve op 11 september 1989 door L., inspecteur-generaal van financiën (p. 9270), waarin werd besloten tot het volkomen betwistbare karakter van de voortzetting van de uitvoering van de drie overeenkomsten alsmede tot het blokkeren van de betalingen van alle facturen door het Gewest, zelfs in aanwezigheid van facturen die vanuit formeel oogpunt regelmatig zijn opgesteld?
Antwoord van Stalport:
Ik heb achteraf kennis gehad van de verwijten van L. Ik weet niet of L. slechts één overeenkomst kende. In die verwijten denk ik dat hij verwijst naar drie overeenkomsten van 1,5 miljoen. Hij was dus ervan op de hoogte dat er drie overeenkomsten waren.
Op interpellatie verklaart Javeau: de opsplitsing beantwoorde aan reële contingenties.
Op interpellatie van de eerste advocaat-generaal: De administratie heeft drie overeenkomsten ontvangen en heeft slechts één vastlegging verricht, denkende dat het ging op drie exemplaren van een enkele overeenkomst. Herinnert Stalport zich die onduidelijkheid, die zich heeft herhaald voor de drie overeenkomsten?
Antwoord van Stalport:
Men zou mij de vergissing hebben gesignaleerd, maar ik was er niet meer sinds 18 juni 1989."
53. Op 4 maart 1996 legde de Heer Stalport nieuwe conclusies neer volgens welke er geen enkele samenhang bestond tussen de hem ten laste gelegde feiten en die welke aan de Heer Coëme ten laste werden gelegd, en dat er dus aanleiding toe bestaat hem te verwijzen naar zijn natuurlijke rechter, de correctionele rechtbank.
54. In de loop van de debatten vroeg de Heer Hermanus van zijn kant het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof betreffende de verjaring van de strafvordering. Hij vroeg dat bij ontstentenis het Hof de verjaring van de strafvordering te zijnen opzichte zou vaststellen. Hij wierp bovendien op dat er geen enkele band van samenhang bestond tussen de feiten die hem werden verweten en die welke aan de Heer Coëme werden verweten. Hij beriep zich ook op een overschrijding van de "redelijke termijn" voor de behandeling van zijn zaak. Ten gronde betoogde hij dat hij zonder strafbaar opzet had gehandeld.
55. Het Hof van Cassatie wees zijn arrest op 5 april 1996. Het besliste allereerst dat er een band van samenhang bestond met de feiten die aan de Heer Coëme werden verweten en de feiten die werden toegeschreven aan de andere beklaagden, en sprak zich uit als volgt:
"Overwegende dat samenhang in de zin van de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering het verband is dat bestaat tussen twee of meer misdrijven en van zodanige aard is dat het vereist dat, met het oog op de goede rechtsbedeling en onder voorbehoud van de eerbiediging van het recht van verdediging, de zaken samen en door dezelfde rechtbank worden beslist en deze aldus alle aspecten van de feiten als dusdanig, de regelmatigheid van de bewijzen en de schuld van alle vervolgde personen kan beoordelen;
Overwegende dat de beschuldigde en de beklaagden tegelijkertijd worden vervolgd voor feiten die door hetzelfde onderzoek aan het licht zijn gekomen; dat die feiten behoren tot een systeem dat door Camille Javeau wordt beheerd waarbij de vereniging "U" het knooppunt is van de financiële belangen van het wetenschappelijk onderzoek en van de persoonlijke belangen van zijn bestuurders en derden; dat, zoals Camille Javeau toegeeft, het systeem tot doel had met de overheid overeenkomsten te sluiten over studies die door de vereniging "U" of het instituut [...] moesten worden uitgevoerd, waarbij in de overeenkomsten voordelen waren opgenomen voor politici wier beslissingsmacht invloed of toekomstperspectieven borg moesten staan voor de doeltreffendheid en de continuïteit van het voornoemde systeem;
Dat alle feiten die aan de beschuldigde en de beklaagden ten laste worden gelegd zo in het systeem passen dat er tussen de feiten een verband bestaat dat de toepassing rechtvaardigt van de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat die toepassing, zelfs indien zij, in casu, behept was met alle ongemakken en nadelen waarover de beklaagden klagen, niet de volledige uitoefening heeft belemmerd van hun recht om de ontvankelijkheid van de vervolgingen en de gegrondheid van de hun ten laste gelegde feiten te betwisten, om al hun verweermiddelen aan te voeren en om het Hof alle vorderingen voor te leggen die zij nuttig hebben geacht voor de berechting van hun zaak."
56. Het Hof van Cassatie weigerde bovendien aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen betreffende de verjaring, en zette uiteen:
"Overwegende dat Guy Coëme bij conclusie betoogt dat de verlenging van de verjaringstermijn "in zoverre zij toepasselijk zou zijn op alle strafvorderingen die ontstaan zijn voor de inwerkingtreding ervan en op die datum nog niet verstreken zijn, en waardoor langere termijnen worden ingevoerd, een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie schept, in vergelijking met de toestand van degenen waarop, wegens de datum waarop de feiten zijn gepleegd, de verjaringstermijn van het oude artikel 21 toepasselijk is";
Dat Jean-Louis Mazy betoogt dat de wet waarbij een nieuwe verjaringstermijn wordt ingevoerd toepasselijk is op alle rechtsvorderingen die ontstaan zijn vóór de datum van inwerkingtreding ervan en op die datum nog niet verjaard zijn, en dat, bijgevolg, het verval van de strafvordering door verjaring afhangt van de datum van de daden van stuiting; dat hij hieruit afleidt dat, in casu, de toepassing van de artikelen 25 en 26 van de programmawet van 24 december 1993 een discriminatie schept die door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden is;
Dat Merry Hermanus eveneens betoogt dat "alleen de datum van de daden van stuiting, wat hem betreft, bepaalt of de nieuwe wet werd toegepast dan wel of de toepassing van de oude wet gehandhaafd blijft";
Overwegende dat de voornoemde beschuldigde en beklaagden, in de slotbeschouwing van hun conclusie, het Hof verzoeken aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over een conflict dat, volgens hen, bestaat tussen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993 waarbij de verjaringstermijnen worden verlengd;
Dat uit die conclusies blijkt dat de ongelijke behandeling waarover zij klagen volgens de betrokkenen zelf, uitsluitend voortvloeit uit de datum waarop de daden van onderzoek of van vervolging werden verricht en uit de weerslag van dergelijke daden op de loop van de verjaring, maar niet uit het bepaalde van artikel 25 van de wet van 24 december 1993;
Dat zij aldus niet een onderscheid bekritiseren dat door die wet zou zijn ontstaan, maar wel de gevolgen die noodzakelijkerwijs voortvloeien uit elke toepassing van de strafproceswet in de tijd;
Overwegende dat de opgeworpen vragen niet onder de toepassing vallen van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof en dat ze derhalve niet dienen te worden gesteld;"
57. Het Hof stelde overigens vast dat de strafvordering niet was verjaard ten aanzien van de Heren Coëme en Hermanus, en overwoog:
"Overwegende dat een nieuwe wet, inzake strafvordering, onmiddellijk effect sorteert zodat zij van toepassing is op alle strafvorderingen die voor haar inwerkingtreding zijn ontstaan en op die datum nog niet zijn verjaard krachtens de oude wet;
Dat de wanbedrijven, die op 31 december 1993 nog niet waren verjaard, behoudens enige grond van schorsing van de verjaring, zullen verjaren na het verstrijken van een termijn van vijf jaren te rekenen van de feiten; dat die termijn eventueel kan worden verlengd met een nieuwe termijn van vijf jaren vanaf een daad van stuiting die regelmatig is verricht voor het verstrijken van de eerste termijn van vijf jaren;
Overwegende dat, nu de verjaring van de strafvordering, die ingegeven is door de belangen van de maatschappij, het verval is van de bevoegdheid om na een zeker tijdsverloop een beklaagde te vervolgen, de wetten betreffende de verjaring de grond van het recht niet raken; dat zij, wanneer zij de verjaringstermijn verlengen, niet tot gevolg hebben de op de datum van misdrijf toepasselijke straf te verzwaren noch een daad of een verzuim te straffen die op het ogenblik van het begaan ervan niet strafbaar was; dat de artikelen 7 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten daarop niet van toepassing zijn;
Overwegende dat de datum van het vonnis in aanmerking moet worden genomen om definitief te oordelen of de strafvordering verjaard is en dat de aard van het misdrijf niet wordt bepaald op grond van de toepasselijke straf maar wel op grond van de toegepaste straf; dat de verjaring van de strafvordering betreffende een feit dat in principe een misdaad is, van het begin af kan worden beïnvloed door de toegepaste straf; dat, in de veronderstelling dat het Hof, na de feiten valsheid en gebruik van valse stukken bewezen te hebben verklaard, verzachtende omstandigheden zou aannemen, waardoor die misdaden aldus zouden worden omgezet in wanbedrijven, de verjaringstermijn van die misdrijven die van de wanbedrijven zou zijn, namelijk vijf jaren;
Overwegende dat, indien verscheidene misdrijven de opeenvolgende uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet en aldus slechts een enkel misdrijf opleveren, het misdrijf slechts helemaal voltooid is en de verjaring van de strafvordering ten aanzien van alle feiten tezamen slechts begint te lopen vanaf het laatste feit, op voorwaarde evenwel dat ieder vorig misdrijf niet van het latere misdrijf is gescheiden door een tijdsverloop dat langer is dan de toepasselijke verjaringstermijn, behoudens stuiting of schorsing van de verjaring;
[...]
Overwegende dat de aan de beschuldigde en de beklaagden ten laste gelegde feiten gepleegd zijn:
- wat G. Coëme betreft, tussen 29 maart 1981 en december 1989, waarbij het laatste feit dateert van 30 november 1989;
[...]
- wat M. Hermanus betreft, tussen 1 december 1987 en 1 maart 1988, waarbij het laatste feit dateert van 29 februari 1988;
[...]
Overwegende dat die feiten, gesteld dat ze bewezen zijn, de uitvoering vormen van een zelfde misdadig opzet; dat de verjaring van de strafvordering voor ieder van de betrokkenen, ten aanzien van het geheel van de feiten die op hen betrekking hebben, slechts begint te lopen vanaf het laatste feit, dat, in casu, niet van de anderen is gescheiden door een tijdsverloop dat langer is dan de geldende verjaringstermijn;
Overwegende dat de wet van 24 december 1993, die de verjaringstermijn van de strafvordering voor wanbedrijven, en bijgevolg voor de gecorrectionaliseerde misdaden, van drie op vijf jaren brengt, toepasselijk is op de beschuldigde en op de beklaagden, aangezien de verjaring van drie jaren niet was bereikt bij de inwerkingtreding van de voornoemde wet en ze op 22 februari 1991 ten aanzien van de beschuldigde en de beklaagden geldig werd gestuit door het proces-verbaal nr. 480 (p. 14690) van het Hoog Comité van Toezicht, dat is een onderzoeksdaad die werd verricht tijdens de oude termijn van drie jaren;
Dat derhalve de oorspronkelijke verjaringstermijn van vijf jaren is beginnen te lopen:
- ten aanzien van [G.] Coëme, op 30 november 1989;
[...]
- ten aanzien van [M.] Hermanus op 29 februari 1988;
Overwegende dat die termijn op 10 juni 1992 door het proces-verbaal nr. 2337 van het Hoog Comité van Toezicht [...] geldig werd gestuit;
Day hieruit volgt dat de strafvordering voor geen enkele van de in de dagvaarding vermelde feiten is verjaard."
58. Het Hof van Cassatie verklaarde de meeste aan de Heer Coëme verweten feiten bewezen en veroordeelde deze verzoeker tot een gevangenisstraf van twee jaar, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar, en tot een geldboete van 1.000 BEF, gebracht op 60.000 BEF. Het legde hem eveneens het verbod op alle rechten uit te oefenen die zijn opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek voor een termijn van vijf jaar en veroordeelde hem hoofdelijk met een andere beklaagde ertoe aan de burgerlijke partij, de vereniging "U", de sommen te betalen van 476.000 BEF, 31.970 BEF en 41.070 BEF.
59. Het Hof van Cassatie verklaarde de tenlasteleggingen die de Heer Mazy werden verweten bewezen en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van negen maanden, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van drie jaar, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF.
60. Het Hof van Cassatie veroordeelde de Heer Stalport tot een gevangenisstraf van zes maanden, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van een jaar, en een geldboete van 26 BEF, gebracht op 1.560 BEF, na de tenlastelegging die hem werd verweten bewezen te hebben verklaard, door zich te baseren op de volgende vaststellingen:
"Overwegende dat de inspectie van financiën op 30 mei 1989 een ongunstig advies (p. 18684) heeft uitgebracht over een ontwerp van overeenkomst waarbij de [vereniging "U"] voor het Brusselse Gewest "bij alle Brusselse ondernemingen een voorstudie" zou uitvoeren tegen de totale prijs van 4.800.000 frank, zonder BTW, (p. 18689 tot 18694);
Overwegende dat op 15 juni 1989 drie overeenkomsten werden ondertekend door [M.] in naam van het Brusselse Gewest en door Camille Javeau, in naam van de [vereniging "U"], telkens voor een forfaitaire prijs van 1.200.000 frank (p. 18699 tot 18710);
Dat de [vereniging "U"] zich in die overeenkomsten ertoe verbond een "voorstudie" uit te voeren;
a) "bij de KMO's die in onderaanneming werken" (overeenkomst 1)
b) "bij alle door het Brusselse Gewest gesteunde ondernemingen" (overeenkomst 2)
c) "bij de exportgerichte KMO's" (overeenkomst 3);
Dat die overeenkomsten op 15 juni 1989, de dag waarop ze werden gesloten, met de handtekening van de minister, aan de administratie werden bezorgd (p. 18681); dat de inspectie van financiën op 30 juni 1989 het vastleggingsbulletin betreffende één van de overeenkomsten, zonder voorbehoud te maken, heeft geviseerd (p. 18680);
Overwegende dat uit de vergelijking tussen het ontwerp van de oorspronkelijke overeenkomst en de drie nieuwe overeenkomsten blijkt dat de omstandigheid dat het voorwerp en de prijs van de oorspronkelijke overeenkomst in de drie nieuwe overeenkomsten werden beperkt, niet belet dat het nog altijd om hetzelfde oorspronkelijke concept en oogmerk ging, m.a.w. om dezelfde opdracht;
Overwegende dat uit de verklaringen van Jean-Louis Stalport (p. 9540)[1] en van Camille Javeau (p. 2905)[2] blijkt dat de splitsing bedoeld was om het verplichte advies van de inspecteur van Financiën te omzeilen;
Dat het advies van de inspecteur van Financiën waarop Jean Louis Stalport doelt, de ondertekening voor gezien is die vereist is voor de vastlegging van de uitgave, die op 30 juni 1989, na de toewijzing van de opdracht is aangebracht en niets bewijst omtrent de wil tot doorzichtigheid waarop beklaagde zich beroept (p. 1304);
Overwegende dat noch de omstandigheid dat, ook al was de opdracht niet gesplitst, de opdracht hoe dan ook zou zijn gegund, noch de omstandigheid dat de drie overeenkomsten aan het niet verplichte advies van de inspecteur van Financiën zouden onderworpen zijn, de artificiële splitsing van de opdracht kunnen rechtvaardigen;
Overwegende dat het bedrieglijk opzet dat voor de tenlastelegging wordt vereist enkel aan de zijde van de dader van het misdrijf moet bestaan;
Dat het voldoende is dat de mededaders tot de uitvoering van het misdrijf noodzakelijke hulp hebben verleend of dat zij het rechtstreeks hebben uitgelokt, dat zij een positieve kennis hebben gehad van de omstandigheden die het hoofdfeit opleverden en dat zij de wil hebben gehad om op de bij de wet bepaalde wijze samen te werken om het misdrijf te plegen;
Dat Jean Louis Stalport met het bedrieglijk opzet om het door minister [M.] goedgekeurde verzoek van Camille Javeau in te willigen, de noodzakelijke hulp heeft verleend om de beoogde doelstelling binnen de bepaalde termijn uit te voeren."
61. Het Hof van Cassatie verklaarde vervolgens de aan de Heer Hermanus verweten tenlasteleggingen bewezen en veroordeelde hem tot gevangenisstraf van een jaar, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF. Het legde hem eveneens het verbod op alle rechten uit te oefenen die zijn opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek, voor een periode van vijf jaar.
62. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de Heer Hermanus was berecht binnen een redelijke termijn, zich hierbij baserende op de volgende overwegingen:
" Overwegende dat uit het dossier blijkt:
- dat het Hoog Comité van Toezicht op 7 augustus 1989 het oorspronkelijk proces-verbaal heeft overgezonden aan de procureur des Konings te Brussel (p. 1120 tot 1094);
- dat de vordering om een onderzoek in te stellen tegen Camille Javeau en tegen allen tegen wie het nodig is, opgemaakt is op 25 augustus 1989 (p. 1085);
- dat, wegens de talrijke verhoren en onderzoeksopdrachten die noodzakelijk waren geworden door de aard van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten, tal van processen-verbaal moesten worden opgemaakt;
- dat de aard van de feiten vereiste dat op 20 oktober 1989 een gerechtsdeskundige werd aan- gesteld (p. 283) met als opdracht duizenden stukken en elektronische gegevens na te zien en uit te pluizen; dat dienaangaande moet worden opgemerkt dat de boekhoudkundige geschriften van [de vereniging "U"] en het instituut [...] onderling vermengd waren wat de taak van de deskundige bemoeilijkte; dat de deskundige, na op 26 december 1989 (p. 358 tot 337) een voorafgaande nota, op 26 november 1990 (p. 373 tot 367) een analyse van de bankrekeningen van Camille Javeau, op 6 december 1990 een nota van antwoord op de opmerkingen van Camille Javeau (p. 460 tot 440), een nota over de overeenkomst met de Franse Gemeenschap D/100 van 24 september 199 (p. 664 tot 659) te hebben neergelegd, de verschillende gedeelten van zijn verslag achtereenvolgens heeft ingediend op 29 december 1993, 7 januari 1994, 21 januari 1994, 4 februari 1994, 3 maart 1994 en 22 aart 1994 (p. 18.256 tot 18.157, 17.939 tot 17.769, 19.406 tot 19.156, 18.909 tot 18.811, 17.285 tot 17.228, 20.576 tot 20.464);
- dat, gedurende de tijd waarin de deskundige zijn opdracht vervulde en nadien, het onderzoek onverwijld is voortgezet, zoals uit de processen-verbaal en de inventarissen blijkt;
- dat uit de aldus verrichte onderzoeksopdrachten blijkt dat, gelet op de onderlinge verwevenheid van de feiten, de verklaringen van de talrijke, bij de zaak betrokken personen moesten worden nagetrokken en de bijeengebrachte gegevens tegenover elkaar moesten worden gesteld vooraleer het openbaar ministerie in staat was te vorderen;
- dat het dossier reeds p 30 juni 1994 door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel is medegedeeld aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers omdat het dossier aanwijzingen leek te bevatten van misdrijven, onder meer ten laste van Guy Coëme, [P. M.] en [W.C.], die waren gepleegd tijdens de uitoefening van hun ministerieel ambt, en laatstgenoemde nog minister was op de dag van de toezending van het dossier (p. 26.645 tot 26.572);
Dat de Kamer van volksvertegenwoordigers op de voltallige zitting van 14 juli 1994 Guy Coëme in staat van beschuldiging heeft gesteld en hem naar het Hof van Cassatie heeft verwezen;
Dat de eerste voorzitter van het Hof reeds op 21 juli 1994, op vordering van de procureur-generaal , raadsheer [F.] heeft aangewezen tot onderzoeksrechter in deze zaak met de opdracht het onderzoek van de feiten te vervolledigen en voort te zetten in nauwe samenwerking met de onderzoeksrechter [V. E.] bij wie, in die stand van het onderzoek, dezelfde feiten aanhangig bleven, in zoverre er tegen andere personen dan Guy Coëme aanwijzingen van misdrijven bestonden;
Dat de met het onderzoek belaste raadsheer op 9 mei 1995 zijn dossier heeft medegedeeld aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
Dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel van 15 juni 1995, op de zitting van 10 juli 1995 toestemming heeft verleend tot het instellen van vervolgingen tegen het gewestelijk raadslid Merry Hermanus voor een correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel; dat, nu de zaak bij beschikking van 22 september 1995 van de raadkamer was onttrokken aan onderzoeksrechter [V. E.], de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de zitting van 18 oktober 1995, op vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie van 25 september 1995, toestemming heeft verleend om Merry Hermanus te vervolgen voor het Hof;
Dat de vordering tot dagvaarding tegen de zitting van 5 februari 1996 is ondertekend op 8 november 1995;
Overwegende dat, gelet op de mogelijke samenhang tussen de aan de beschuldigde en aan de beklaagden verweten feiten, het lot van eren ieder, wat de regeling van de procedure betreft, niet kon worden losgekoppeld van dat van de anderen;
Overwegende dat het Hof nergens enige vertraging in de vervolgingen vaststelt."
63. De Heer Javeau werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met uitstel van de tenuitvoerlegging voor de helft van die straf, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF.
64. Als gevolg van zijn veroordeling moest de Heer Stalport ontslag nemen uit zijn functies van bestuurder die hij uitoefende in verscheidene naamloze vennootschappen naar Belgisch recht, met toepassing van artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 24 oktober 1996. De beslissing van verbod kan uitoefening van alle rechten opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek ontnam de Heer Hermanus van zijn kant al zijn functies, te weten die van hoofdstedelijk raadslid, schepen, secretaris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeenschap en voorzitter van de GOMB.
II. HET RELEVANTE INTERNE RECHT
A. De Grondwet
65. De relevante bepalingen van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 zijn de volgende:
Artikel 12
"De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. [...]"
Artikel 13
"Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent."
Artikel 59
"Behalve bij ontdekking op heterdaad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in strafzaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan het lid deel uitmaakt.
[...]
De hechtenis van een lid van een van beide Kamers of zijn vervolging voor een hof of een rechtbank wordt tijdens de zitting geschorst indien de Kamer waarvan het lid deel uitmaakt, het vordert."
Artikel 120
"Ieder lid van een [Gewest‑ of Gemeenschaps‑] Raad geniet de onschendbaarheid bepaald in de artikelen 58 en 59."
Artikel 147
"Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie.
Dit Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf, behalve bij het berechten van ministers en leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen."
B. De grondwettelijke bepalingen van toepassing op het ogenblik van de feiten, doch sedertdien gewijzigd
66. Artikel 103, eerste lid, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (vroeger artikel 90 van de Grondwet van 7 februari 1931), bepaalde:
"De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft het recht ministers in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie; dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, behoudens hetgeen de wet zal bepalen betreffende het instellen van de burgerlijke rechtsvordering door de benadeelde partij en betreffende misdaden en wanbedrijven die door ministers buiten de uitoefening van hun ambt mochten zijn gepleegd."
67. Artikel 103, tweede lid, van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 (vroeger artikel 134 van de Grondwet van 7 februari 1831) bepaalde van zijn kant:
"De wet bepaalt in welke gevallen de ministers verantwoordelijk zijn, welke straffen hun worden opgelegd en op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij inbeschuldigingstelling door de Kamer van volksvertegenwoordigers als bij de vervolging door de benadeelde partijen."
De Grondwet van 7 februari 1831 bevatte een artikel 139, dat met name bepaalde dat "de volgende zaken door afzonderlijke wetten, en wel binnen de kortst mogelijke tijd, dienen te worden geregeld: [...] 5° De verantwoordelijkheid van de ministers en andere overheidspersonen". Dat artikel werd opgeheven op 14 juni 1971.
68. De wet van 12 juni 1998 houdende wijziging van de Grondwet heeft artikel 103 van de Grondwet vervangen door een nieuwe bepaling, die bepaalt dat "ministers [...] uitsluitend [worden] berecht door het hof van beroep", zowel "voor misdrijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd" als "voor misdrijven die ministers buiten de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn" (artikel 103, eerste lid).
Bovendien bepaalt de nieuwe tekst dat "de wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de vervolging als bij de berechtiging" (artikel 103, tweede lid).
69. Het gaat voortaan om de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers (alsmede om de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering). "Het hof van beroep te Brussel is bij uitsluiting bevoegd om een minister te berechten voor misdrijven die hij mocht gepleegd hebben in de uitoefening van zijn ambt", terwijl "voor de berechting van een minister tijdens de uitoefening van zijn ambt, voor misdrijven die hij buiten de uitoefening van zijn ambt mocht gepleegd hebben, [...] de hoven van beroep van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte en die van de plaats waar de verdachte gevonden is, gelijkelijk bevoegd zijn" (artikel 1) [lees: artikel 2]. De wet regelt het verloop van de vervolgingen en van het onderzoek, de procedure voor het hof van beroep en de modaliteiten van de voorziening in cassatie. Titel VI van de wet voorziet in twee bijzondere bepalingen, waaronder artikel 29, dat uitdrukkelijk bepaalt:
"De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven, worden samen met de minister vervolgd en berecht."
C. De overgangsbepaling
70. In afwachting van een procedurewet en om te vermijden dat de rechtsbedeling in strafzaken zal worden verlamd ten aanzien van de ministers gedurende de tijd die nodig is om de wet aan te nemen, had het Nationaal Congres in 1831 een overgangsbepaling aangenomen om de bevoegdheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van het Hof van Cassatie te regelen.
In zijn oorspronkelijke versie luidde het vroegere artikel 134 van de Grondwet, dat achteraf de overgangsbepaling van artikel 103 is geworden, als volgt:
"Totdat de wet erin zal hebben voorzien, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers een discretionaire macht om een minister in beschuldiging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, met karakterisering van het misdrijf en bepaling van de straf."
71. In deel II van de Novelles de 1935, gewijd aan de "politieke en administratieve wetten", is uiteengezet dat die bepaling, enerzijds, de gewone verantwoordelijkheid van de ministers beoogde en, anderzijds, een bijzondere verantwoordelijk eigen aan hun functie. Men kan er met name lezen (nrs. 723 tot 725, p. 236):
"Wanneer het gaat om feiten waarin het Strafwetboek voorziet, zijn de straffen van dat Wetboek van toepassing. Wanneer het integendeel gaat om feiten waarover het Strafwetboek het stilzwijgen bewaard, heeft, voorlopig en in afwachting dat een wet daarin voorziet, de Kamer van volksvertegenwoordigers een discretionaire bevoegdheid om de ministers in beschuldiging te stellen en het Hof van Cassatie om hen te berechten, met karakterisering van het misdrijf en bepaling van de straf."
72. In zijn openingsrede van 1 september 1976 (Journal des Tribunaux, 1976, inzonderheid pp. 653‑654, nrs. 4 en 5, alsmede pp. 658-659, nr. 19), beklemtoonde de Heer procureur-generaal Delange dat krachtens de overgangsbepaling van artikel 103 (toen 90) van de Grondwet, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ministers in het geding was voor alle misdrijven waarin de strafwet voorziet, aangezien het Hof van Cassatie op dit punt geen enkele discretionaire bevoegdheid heeft (hooguit zou het strafbaarstellingen en straffen kunnen toevoegen, maar geenszins zou het wat dan ook kunnen afnemen van de gewone strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers). Hij wees eveneens erop dat "ten aanzien van de procedure van het Hof van Cassatie, het duidelijk blijkt dat bij ontstentenis van een wet, de gemeenrechtelijke regels in strafzaken bij analogie toepassing zouden moeten vinden" (p. 669).
73. Bij de grondwetswijziging van 5 mei 1993 werd de overgangsbepaling van artikel 103 van de Grondwet als volgt gewijzigd:
"Totdat de wet bedoeld in het tweede lid erin zal hebben voorzien, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers de discretionaire macht om een minister in beschuldiging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, in de gevallen en met toepassing van straffen die in de strafwetten zijn bepaald."
74. Aangezien de wetgever echter nooit op een andere manier is opgetreden dan langs tijdelijke weg, was die overgangsbepaling van kracht tot aan de grondwetswijziging van 1998 (bovenstaande paragraaf 68).
D. De toepassingswetten van het vroegere artikel 103 van de Grondwet
75. Verscheidene toepassingswetten van het vroegere artikel 103 van de Grondwet werden aangenomen. Het ging om gelegenheidswetten en tijdelijke wetten.
76. De eerste van die wetten werd aangenomen ten gevolge van een duel, in 1865, tussen een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de minister van Oorlog. Beiden hadden gebruik gemaakt van hun wapen. Aangezien die feiten een strafbaar feit uitmaken, wilde de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vervolgingen instellen. Daar een van de twee antagonisten minister was, kwam het de Kamer van volksvertegenwoordigers toe hem in beschuldiging te stellen en werd een vraag in die zin geformuleerd. De Kamer van volksvertegenwoordigers ging hierop slechts in door middel van de voorafgaande aanneming van een wet.
77. In het verslag namens de bijzondere commissie benoemd door de Kamer om de door dat duel opgeworpen vraagstukken van grondwettelijk recht te onderzoeken, lichtte de Heer Delcour het neergelegde wetsontwerp met name in de volgende bewoordingen toe:
"Onze commissie, Mijne Heren, was eveneens van mening dat het Hof van Cassatie bevoegd is om uitspraak te doen over de feiten van medeplichtigheid of de samenhangende misdrijven die zouden worden toegeschreven aan andere personen dan aan de vervolgde minister. Zij heeft verwezen naar de algemene rechtsbeginselen.
Het zou immers niet rationeel zijn, aldus de Heer Dalloz, dat de uitzonderingsrechtbank die, door het grote aantal rechters waaruit zij is samengesteld, door haar rang in de gerechtelijke hiërarchie, door de plechtigheid van haar vormen, aan de beschuldigden meer waarborgen biedt dan de gewone rechtbanken, niet bevoegd zou zijn om uitspraak te doen over de feiten van medeplichtigheid of over de samenhangende misdrijven. Dit is reeds het geval in artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering. Wanneer de verdachte magistraat medeplichtigen heeft bij wie niet hetzelfde openbare karakter aanwezig is, is het niet de magistraat die hen volgt voor de correctionele rechtbank, maar zijn het de medeplichtigen die de magistraat volgen voor het hogere rechtscollege.
[...]
Het ligt wellicht in het algemeen belang dat de minister die schuldig is aan een misdaad of wanbedrijf voor de rechtbanken wordt gebracht, daar, zoals ik reeds eerder heb gezegd, niemand in België zich op straffeloosheid kan beroepen. Maar naast dat algemeen belang is er een ander openbaar belang dat niet minder eerbied verdient, namelijk dat van de volledige vrijheid van de minister voor het beheer van de staatszaken op een bepaald ogenblik. Het is de Kamer van volksvertegenwoordigers die over dit laatstgenoemde belang oordeelt, waarvoor het eerstgenoemde in sommige omstandigheden lijkt te moeten wijken. Ik veronderstel dat de minister van Oorlog een wanbedrijf heeft begaan: de situatie van het land is kritiek, hij alleen kan op passende wijze in zijn verdediging voorzien. Is het in een dermate ernstige situatie niet noodzakelijk dat de Kamer van volksvertegenwoordigers het belang van het gerecht kan doen wijken voor dit andere openbare belang, dat nog veel groter is, namelijk het belang van de verdediging van de Staat en van het algemeen welzijn?
[...]
Het Hof van Cassatie zal van zijn kant de vormvoorschriften van het Wetboek van Strafvordering in acht nemen, volgens het karakter van het misdrijf dat aan dat Hof is voorgelegd: gaat het om een wanbedrijf, dan zal het zich conformeren aan de bestaande bepalingen inzake wanbedrijven; gaat het om een misdaad, aan de bepalingen van het Wetboek die de hoven van assisen regelen; in dit laatstgenoemde geval, waarbij het hof oordeelt zonder tussenkomst van een jury, is het duidelijk dat de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot dit gedeelte van de procedure geen toepassing kunnen vinden."
78. De wet "betreffende de wanbedrijven gepleegd door ministers buiten de uitoefening van hun ambt" werd aangenomen op 19 juni 1865. Zij bepaalde met name [vrij vertaald]:
Artikel 1
"De misdaden en wanbedrijven gepleegd door een minister buiten de uitoefening van zijn ambt worden gebracht voor het Hof van Cassatie, verenigde kamers. [...]"
Artikel 7
"Het Hof van Cassatie neemt de vormvoorschriften van het Wetboek van Strafvordering in acht. [...]"
Artikel 9
"Voor overtredingen worden ministers berecht door de rechtbanken, volgens de gewone vormvoorschriften."
Artikel 10
"Deze wet is bindend vanaf de dag na de bekendmaking ervan en heeft slechts uitwerking gedurende een jaar [...]."
79. Het is overeenkomstig de bepalingen van die wet dat de minister van Oorlog en het lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers voor het Hof van Cassatie werden gebracht, en door dat Hof werden berecht en veroordeeld. De relevante gedeelten van het arrest van 12 juli 1865 luiden als volgt:
"Overwegende dat de ondeelbaarheid van de rechtspleging een noodzakelijk gevolg is van de ondeelbaarheid van het wanbedrijf en dat zij met zich meebrengt dat de gehele vervolging wordt toegewezen aan de rechter van de hoogste orde, bevoegd ten aanzien van een van de beklaagden;
Overwegende dat dit beginsel van openbare orde, dat universeel in de rechtspraak wordt aangenomen, was verankerd door een wet die in België werd bekendgemaakt, namelijk die van 24 messidor van het jaar IV, tot regeling van de wijze waarop in rechte wordt opgetreden tegen de medeplichtigen, hetzij van een volksvertegenwoordiger, hetzij van een lid van het uitvoerend directorium, door de wetgevende macht in beschuldiging gesteld en gebracht voor het hooggerechtshof; dat het sedertdien opnieuw bij wet is bekrachtigd door de toepassing die het Wetboek van Strafvordering in artikel 501 ervan heeft gemaakt;
Overwegende dat aangezien luitenant-generaal baron C., minister van Oorlog, ter uitvoering van de wet van 19 juni j.l. moet worden berecht door het Hof van Cassatie, bij dit Hof, volgens hetgeen hiervoor is erkend, op wettige wijze de vervolging aanhangig is gemaakt die gelijktijdig is gericht tegen de vertegenwoordiger D., medebeklaagde;
[...]
Om die redenen, verklaart de twee beklaagden schuldig aan het wanbedrijf van duel zonder verwondingen en de eerste beklaagde schuldig aan het wanbedrijf van uitdaging tot dat duel."
80. Op 3 april 1995 heeft de federale wetgever een tweede wet houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 103 van de Grondwet goedgekeurd. Die wet had enkel betrekking op de onderzoeksdaden die door de Kamer van volksvertegenwoordigers konden worden gelast, en de duur ervan was beperkt tot negen weken.
In haar advies uitgebracht op 23 maart 1995 over het ontwerp van wet dat tot die wet zou leiden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich als volgt uitgesproken:
"Dat wetsvoorstel maakt slechts zeer gedeeltelijk gebruik van die ruime machtiging, die de wetgever er nochtans toe moet brengen zowel de strafbare feiten te bepalen die door ministers kunnen worden gepleegd, als de straffen die hun kunnen worden opgelegd of de procedure die tegen hen kan worden in gang gezet, zowel vóór als na de bekendmaking van de eigenlijke akte van beschuldiging. Dit procédé kan problemen doen rijzen wegens de onzekerheid die ze bijvoorbeeld kan laten bestaan omtrent het gevolg dat kan worden gegeven aan de in zulke omstandigheden in gang gezette procedures."
81. Op 17 december 1996 heeft de wetgever een derde wet houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van artikel 103 van de Grondwet aangenomen, die betrekking had op de federale ministers. Zij stond de Kamer van volksvertegenwoordigers toe te gelasten dat onderzoeksdaden zouden worden verricht ten aanzien van een minister en zij bepaalde de voorwaarden ervan, alsmede de uitvoeringsmodaliteiten. De bijzondere wet van 28 februari 1997 betrof de gemeenschaps‑ en gewestministers. Die twee wetten bleven van kracht tot 1 januari 1998.
E. De prejudiciële vragen aan het Arbitragehof
82. Krachtens artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doet het Arbitragehof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent, enerzijds de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis (134) van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten en, anderzijds, omtrent elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in artikel 26bis (134) van de Grondwet, die uitgaan van verschillende wetgevers en, ten slotte, omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen 6, 6bis en 17 van de Grondwet. De artikelen 6 en 6bis van de grondwet, die de artikelen 10 en 11 zijn geworden krachtens de wijziging van 17 februari 1994, zijn die welke het beginsel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet alsmede het genot, zonder discriminatie, van de toegekende rechten en vrijheden erkennen.
83. Krachtens artikel 26, § 2, van dezelfde wet moet, indien een prejudiciële vraag wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college in beginsel het Arbitragehof verzoeken op die vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp, ofwel wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, of ook wanneer de wet, het decreet of de in artikel 26bis (134) bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in paragraaf 1 klaarblijkelijk niet schendt.
84. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 1989 heeft de minister van Justitie het verplichte karakter van de prejudiciële vraag beantwoord met de noodzaak om ieder risico van willekeur te vermijden in de beoordelingen die de rechtscolleges in dit verband zouden kunnen geven.
F. Het Wetboek van Strafvordering
85. Artikel 21, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde:
"De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, drie jaren of zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding is."
86. Artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993 heeft die bepaling gewijzigd, die thans als volgt luidt:
"De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, vijf jaren of zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding is."
87. In de parlementaire voorbereiding van de programmawet kan men in verband met artikel 25 lezen:
"De nieuwe termijn geldt ook voor lopende termijnen, zonder enige vorm van terugwerking. Ook de minister denkt er zo over."
[...]
3de geval: de feiten werden gepleegd op 1 januari 1992 en een daad van stuiting werd gesteld op 15 december 1993. Aangezien artikel 22 nog nooit werd gewijzigd, kunnen we ons afvragen of de feiten zullen verjaren op 15 december 1996 of op 15 december 1998. [...]
De rapporteur is van mening dat de termijn van 3 jaar, die op 15 december 1993 begon te lopen, op 1 januari 1994 vijf jaar wordt. Bijgevolg treedt de verjaring in op 15 december 1998 in plaats van op 13 december 1996. De nieuwe termijn geldt ook voor lopende termijnen, zonder enige vorm van terugwerking. Ook de minister denkt er zo over" (Parl. St., Kamer, S.O., 1993-1994, nr. 1211/8, p. 11)
88. De omzendbrief nr. 2/94 van 10 januari 1994 van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Bergen, die op dit punt betrekking heeft, stelt met name:
"Hieruit volgt dat, in de hypothese waarin een stuitingshandeling plaatsvindt vooraleer de verjaring van de strafvordering is bereikt, de verjaringstermijn met vijf jaar wordt verlengd vanaf de laatste nuttige stuitingshandeling."
89. Artikel 22 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, dat niet bij de wet van 24 december 1993 is gewijzigd, luidt als volgt:
"De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in het vorige artikel gestelde termijn.
Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren."
90. Artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt hetgeen volgt wat betreft het verloop van het onderzoek ter terechtzitting voor de correctionele rechtbank:
"De procureur des Konings, de burgerlijke partij of haar raadsman, zetten de zaak uiteen; de processen-verbaal of verslagen, indien er opgemaakt zijn, worden door de griffier voorgelezen, de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat, en de wrakingen worden voorgedragen en er wordt over beslist; de stukken die tot overtuiging of tot ontlasting kunnen dienen, worden aan de getuigen en aan de partijen vertoond; de beklaagde wordt ondervraagd; de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen dragen hun verdediging voor; de procureur des Konings vat de zaak samen en neemt zijn conclusie; de beklaagde en de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen kunnen antwoorden."
91. De samenhang heeft zijn grondslag in de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 226 bepaalt dat het Hof van Beroep "bij een en hetzelfde arrest [beslist] over de samenhangende misdrijven waarvan de stukken tezelfdertijd zijn voorgelegd".
Van zijn kant bepaalt artikel 227:
"Misdrijven zijn samenhangend, hetzij wanneer zij tegelijkertijd gepleegd zijn door verscheidene personen te zamen, hetzij wanneer zij gepleegd zijn door verschillende personen, zelfs op onderscheiden tijdstippen en op onderscheiden plaatsen, maar ten gevolge van een door hen tevoren gemaakte afspraak, hetzij wanneer de schuldigen het ene misdrijf hebben gepleegd om zich de middelen te verschaffen tot het plegen van de andere, om de uitvoering ervan te vergemakkelijken of te voltooien, of om de straffeloosheid ervan te verzekeren."
IN RECHTE
I. TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDINGEN VAN ARTIKEL 6 VAN HET VERDRAG, AFZONDERLIJK BESCHOUWD EN IN SAMENHANG GELEZEN MET DE ARTIKELEN 13 en 14
92. De verzoekers, die zich op artikel 6 van het Verdrag beroepen, beweren in verscheidene opzichten, tijdens de tegen hen ingestelde strafrechtelijke vervolgingen, een weigering van eerlijk proces en aantastingen van de rechten van de verdediging te hebben ondergaan. Hierbij zou tevens inbreuk zijn gepleegd op de artikelen 13 en 14 van het Verdrag.
De relevante bepalingen van artikel 6 van het Verdrag luiden als volgt:
"1. Bij [...] het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. [...]
2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.
3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten:
[...]
b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
[...]"
93. De vereisten van de leden 2 en 3, onder b), van artikel 6 zijn elementen van het algemene begrip "eerlijk proces", dat is verankerd in lid 1 (zie onder meer de arresten Van Geyseghem t. België [GC], nr. 26103/95, § 27, EHRM 1999-I, en Poitrimol t/ Frankrijk van 23 november 1993, serie A, nr. 277-A, p. 13, § 29). Het Hof is van oordeel dat het gepast is de grieven te onderzoeken in het licht van lid 1 van artikel 6, door die bepaling indien nodig te combineren met de andere leden ervan en met de overige bepalingen van het Verdrag, dit als volgt luiden:
Artikel 13 - Recht op daadwerkelijke rechtshulp
"Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in [het] Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie."
Artikel 14 - Discriminatieverbod
"Het genot van de rechten en vrijheden, welke in [het] Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status."
A. De ontstentenis van toepassingswet
94. De verzoekers beweren dat hun berechting door het Hof van Cassatie, bij ontstentenis van een toepassingswet van artikel 103 van de Grondwet, afbreuk heeft gedaan aan artikel 6, leden 1, 2, 3, onder b) van het Verdrag.
De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau voegen eraan toe dat de beslissing om de vervolgingen samen te voegen vanwege het bestaan van een band van samenhang, een schending vormt van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en een discriminatie in strijd met artikel 14 van het Verdrag.
95. Het Hof zal achtereenvolgens de situatie van de Heer Coëme en van de andere verzoekers onderzoeken.
1. De situatie van de Heer Coëme
96. Zoals de andere verzoekers, wijst de Heer Coëme erop dat de regels die de procedure regelen welke door het Hof van Cassatie moest worden gevolgd, niet waren bepaald bij de wet, noch bij de Grondwet. Hij leidt hieruit af dat het Hof van Cassatie bijgevolg tegelijkertijd wetgever en rechter is geweest, met miskenning van artikel 6, lid 1, van het Verdrag. Hij verklaart dat iedere rechtsprekende overheid onderworpen moet zijn aan vormvoorschriften die bestemd zijn om voor de rechtzoekenden de hoge waarde van de uitspraak van de rechter te waarborgen en de rechten van de verdediging te verzekeren, hetgeen de Kamer van volksvertegenwoordigers in 1865 wel degelijk had begrepen. De ontstentenis van wet die de procedure regelt heeft te dezen het Hof van Cassatie ertoe gebracht een ad hoc procedure in het leven te roepen om de lacunes van de wetgever aan te vullen. Door zelf de toepasselijke procedureregels uit te vaardigen, al was het bij verwijzing, heeft het Hof van Cassatie klaarblijkelijk het beginsel van de scheiding der machten, de totstandkoming en de toepassing van de strafwet miskent. Zelfs als, bij uitsluiting, de door het Hof van Cassatie gevolgde procedure niet die kon zijn waarin in strafzaken is voorzien, volstaat die omstandigheid niet om tegemoet te komen aan het vereiste van een toegankelijke en voorzienbare procedure.
Volgens de Heer Coëme heeft die omstandigheid ook afbreuk gedaan aan artikel 6, lid 2, in zoverre die bepaling zou voorzien in het beginsel "nullum judicium sine lege".
97. De Regering betoogt dat men niet zou kunnen afleiden dat de procedure voor het Hof van Cassatie niet was gedefinieerd door het nationale recht vanwege het loutere feit dat de te volgen procedure voor de berechting van de ministers niet was bepaald door de Grondwet, noch door een toepassingswet. De te volgen procedure was die welke voor de gewone correctionele procedure bestaat, hetgeen volkomen voorzienbaar was rekening houdend met de lering van rechtspraak en rechtsleer alsmede met de omstandigheid van de drie andere procedures - die waarin respectievelijk is voorzien door het hof van assisen, de jeugdgerechten en de militaire rechtscolleges - duidelijk niet van toepassing waren. Het Hof van Cassatie is dus niet opgetreden als wetgever ad hoc, noch is het buiten de perken getreden van een redelijke interpretatie van het bestaande recht door de gewone correctionele procedure toe te passen, mits enkele aanpassingen die noodzakelijk waren gemaakt door het vereiste van de Grondwet dat dit hof in verenigde kamers zitting moet nemen.
98. Het Hof herinnert allereerst eraan dat het doel van het Verdrag "erin bestaat, niet theoretische of illusoire rechten, maar concrete en daadwerkelijke rechten te beschermen; de opmerking geldt inzonderheid voor [de rechten] van de verdediging ten aanzien van de eminente rol die het recht op een eerlijk proces, waarvan ze zijn afgeleid, in een democratische samenleving speelt" (arrest Artico t. Italië van 13 mei 1980, serie A, nr. 37, pp. 15-16, § 33). Volgens de rechtspraak heeft de invoering van de woorden "welke bij de wet is ingesteld" in artikel 6 van het Verdrag "tot doel te vermijden dat de organisatie van het gerechtelijk systeem aan de discretionaire beslissing van de uitvoerende macht zou worden overgelaten en ervoor te zorgen dat die aangelegenheid zou worden geregeld door een wet van het Parlement" (Zand t. Oostenrijk, verzoekschrift nr. 7360/76, verslag van 12 oktober 1978, Beslissingen en verslagen (DR) 15, pp. 70, 80). In landen met gecodificeerd recht kan de organisatie van het gerechtelijk systeem evenmin worden overgelaten aan de discretionaire beslissing van de gerechtelijke overheden, hetgeen evenwel niet uitsluit dat hun een zekere bevoegdheid tot interpretatie van de nationale wetgeving ter zake wordt erkend.
99. Een rechtbank "wordt in materiële zin gekenmerkt door haar jurisdictionele rol: het beslechten, op basis van rechtsnormen en na afloop van een georganiseerde procedure, van ieder vraagstuk dat tot haar bevoegdheid behoort" (arrest Belilos t. Zwitserland van 29 april 1988, serie A, nr. 132, p. 29, § 64). Zij moet ook aan een aantal andere voorwaarden voldoen, zoals de onafhankelijkheid en de duur van het mandaat van haar leden, alsmede de onpartijdigheid en het bestaan van waarborgen geboden door de rechtspleging. Het leidt geen enkele twijfel dat het Hof van Cassatie, dat in het Belgische recht het enige bevoegde rechtscollege was om de Heer Coëme te berechten, een "bij de wet ingestelde rechterlijke instantie" was (zie, mutatis mutandis, Prosa en anderen t. Denemarken, verzoekschrift nr. 20005/92, beslissing van 27 juni 1996, niet bekendgemaakt).
100. Het Hof wijst erop dat geen enkele toepassingswet van artikel 103 van de Grondwet van kracht was op de dag waarop de verzoekers werden opgeroepen om te verschijnen voor het Hof van Cassatie teneinde zich te verantwoorden voor de misdrijven die hun werden verweten (paragrafen 75, 80 en 81 hiervoor). Paragraaf 2 van artikel 103 nodigde de wetgever echter uit om de modaliteiten van de procedure voor het Hof van Cassatie te regelen en artikel 139 van de Grondwet van 7 februari 1831 drong aan op de noodzaak om dit binnen de kortst mogelijke termijn te doen. Niettemin bevond de Heer Coëme, bijgestaan door zijn raadslieden, zich niet in een situatie van volstrekte onwetendheid ten aanzien van de procedureregels die in dat proces van toepassing zouden zijn. Hij kon er niet onwetend van zijn dat de gewone correctionele procedure naar alle waarschijnlijkheid zou worden gevolgd, gegrond op het onderzoek van rechtsleer en rechtspraak, zelfs indien deze rechtspraak was beperkt tot het arrest van het Hof van Cassatie van 12 juli 1865 (paragraaf 79 hiervoor). Hij kon ook rekening houden met artikel 7 van de wet van 19 juni 1865, ook al ging het in dit geval slechts om een gelegenheidswet. Dit is trouwens de conclusie waartoe de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie zelf zou zijn gekomen en die hij zou hebben medegedeeld aan de raadslieden van sommige van de verzoekers tijdens het onderhoud van 3 november 1995. Reeds bij de opening van de terechtzitting van 5 februari 1996 (paragraaf 41 hiervoor) heeft de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie zelf bevestigd dat de gewone correctionele procedure zou worden gevolgd, waarbij werd gepreciseerd dat het onderzoek zou geschieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering.
101. De Regering heeft evenwel erkend dat de gewone correctionele procedure niet als dusdanig kon worden aangenomen door het Hof van Cassatie zitting houdende in verenigde kamers. In zijn tussenarrest van 12 februari 1996 (paragraaf 46 hiervoor) heeft het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat de regels die de gewone correctionele procedure beheersen slechts zouden worden toegepast voor zover zij verenigbaar zijn "met de bepalingen die de rechtspleging regelen voor het Hof van Cassatie, zitting houdende met verenigde kamers". Hieruit volgt dat de partijen niet bij voorbaat alle modaliteiten hebben kunnen kennen van de procedure die zou worden gevolgd. Zij konden niet voorzien op welke manier het Hof van Cassatie ertoe zou worden gebracht de bepalingen te amenderen of te wijzigen die het normale verloop van een strafproces organiseren, zoals zij zijn vastgesteld door de Belgische wetgever.
Dusdoende heeft het Hof van Cassatie een element van onzekerheid geïntroduceerd door niet te specifiren welke de regels waren die door de aangenomen restrictie waren bedoeld. Zelfs in de veronderstelling dat het Hof van Cassatie geen gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid die het zich heeft gelaten om sommige wijzigingen aan te brengen in de regels die de gewone correctionele procedure beheersen, werd de taak van de verdediging bijzonder bemoeilijkt bij ontstentenis van de voorafgaande wetenschap of een gegeven regel al dan niet toepassing zou vinden in de loop van het proces.
102. Het Hof herinnert eraan dat het beginsel van de legaliteit van het recht betreffende de strafvordering een algemeen rechtsbeginsel is. Het is de tegenhanger van de legaliteit van het strafrecht en is verankerd in het adagium "nullum judicium sine lege". Dit beginsel legt op substantieel vlak bepaalde eisen op met betrekking tot het verloop van de procedure, teneinde de waarborg van het eerlijk proces te verzekeren, hetgeen de inachtneming van de wapengelijkheid impliceert. Deze omvat de verplichting om aan elke partij een redelijke mogelijkheid te bieden om haar zaak naar voren te brengen onder omstandigheden die ze niet plaatst in een situatie van duidelijke benadeling ten opzichte van haar tegenstrever (zie onder meer het arrest De Haes en Gijsels t. België van 24 februari 1997, Recueil des arrêts et décisions, 1997-I, p. 238, § 53). Het Hof herinnert tevens eraan dat de reglementering van de procedure in de eerste plaats tot doel heeft de vervolgde persoon te beschermen tegen risico's van machtsmisbruik en dat het dus de verdediging is die het meest vatbaar is om te lijden te hebben onder de lacunes en onduidelijkheid van een dergelijke reglementering.
103. Bijgevolg is het Hof van oordeel dat de onzekerheid die heeft bestaan vanwege de ontstentenis van vooraf vastgestelde procedureregels de verzoeker in een situatie van duidelijke benadeling heeft geplaatst ten opzichte van het openbaar ministerie, zodat de Heer Coëme verstoken was van een eerlijk proces in de zin van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.
104. Onder die omstandigheden acht het Hof het niet noodzakelijk uitspraak te doen over de beweerde schending van de leden 2 en 3, onder b), van deze bepaling, aangezien de op dit punt naar voren gebrachte argumenten in wezen samenvallen met die welke onder paragraaf 1 zijn onderzocht.
2. De situatie van de andere verzoekers
105. De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau beweren bovendien dat de beslissing om de vervolgingen samen te voegen vanwege het bestaan van een band van samenhang, ze tegen hun wil heeft afgetrokken van de rechter die de wet hun toekent, met miskenning van artikel 6, lid 1, van het Verdrag, hetgeen een discriminatie vormt die strijdig is met artikel 14 van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, ervan.
De verzoekers herinneren eraan dat noch de Grondwet noch de wet bevoegdheid verlenen aan het Hof van Cassatie om kennis te nemen van de vervolgingen tegen andere personen dan een minister. Hun natuurlijke rechter was de correctionele rechtbank, hetgeen zowel blijkt uit de tekst zelf van artikel 103 van de Grondwet als uit die van artikel 13 ervan, afzonderlijk beschouwd of in samenhang gelezen met artikel 147 ervan. De beslissing van het Hof van Cassatie met betrekking tot de beweerde samenhang, die onvoldoende is gemotiveerd, vormt een van het gemeenrecht afwijkende behandeling en heeft afbreuk gedaan aan hun rechten van de verdediging doordat hun zonder redelijke verantwoording een geheel van substantiële waarborgen werd ontzegd die iedere andere beklaagde zou hebben genoten en die de Heer Coëme, die tegelijkertijd met hen werd berecht, gedeeltelijk zou hebben genoten in het kader van het onderzoek door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
106. Wat de samenhang betreft beklemtoont de Regering dat de regels van de samenhang vervat in de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering, in alle strafzaken van toepassing zijn. De rechtsleer en de rechtspraak zijn in dit verband unaniem en reeds lang gevestigd. De Heren Coëme en Javeau waren evenwel vervolgd als mede-auteurs of medeplichtigen van sommige misdrijven en de overige verzoekers wegens diverse misdrijven begaan in het kader van de activiteiten van de vereniging "U". Zelfs als de samenvoeging zich niet aan de rechter opdrong, was zij in deze zaak ofwel ruimschoots verantwoord om het risico van tegenstrijdige beslissingen te vermijden, ofwel wenselijk om redenen van coherentie, van proceseconomie, kortom van goede rechtsbedeling. Het ging om een volkomen redelijke en rationele keuze, die het mogelijk maakte het strafbaar gedrag van de verschillende verdachten beter te meten en te omlijnen; de verzoekers kunnen zich niet erover beklagen dat de bevoegdheid van het Hof van Cassatie om hen te berechten niet bij de wet zou zijn bepaald of niet te voorzien zou zijn geweest.
107. Eraan herinnerende dat de organisatie van het gerechtelijk systeem alsmede de bevoegdheid in strafzaken niet aan de beoordeling van de rechterlijke macht kunnen worden overgelaten, stelt het Hof vast dat het artikel 103 van de Grondwet is, dat tot aan de hervorming van 1998 (paragrafen 68 en 69 hiervoor), bij wijze van uitzondering, voorzag in de berechting van de ministers voor het Hof van Cassatie. Geen enkele bepaling voorzag evenwel in de mogelijkheid om de rechtsmacht van dat Hof uit te breiden tot andere verdachten dan ministers voor misdrijven die samenhangen met die waarvoor de ministers werden vervolgd (zie, a contrario, verzoekschriften nrs. 8603/79, 8722/79, 8723/78 en 8729/79 (samengevoegd), beslissing van 18 december 1980, DR 22, pp. 147, 178-179). De noodzaak van het bestaan van een dergelijke bepaling blijkt des te meer daar op dit ogenblik de kwestie voortaan lijkt te zijn geregeld door artikel 29, eerste lid, van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, die bepaalt dat "de mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven [...] samen met de minister [worden] vervolgd en berecht" (paragraaf 69 hiervoor).
Het is juist, zoals de regering betoogt, dat de toepassing van de regels van de samenhang, waarin in België bij de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering is voorzien, kon worden beoogd in het licht van de lering van rechtsleer en rechtspraak en inzonderheid van het arrest van het Hof van Cassatie van 12 juli 1865, ook al was dit laatste gewezen ter zake van een duel en preciseert het arrest dat "het duel een ondeelbaar complex feit is" en dat " de ondeelbaarheid van de rechtspleging een noodzakelijk gevolg van de ondeelbaarheid van het wanbedrijf is" (paragraaf 79 hiervoor). Die aanwijzingen maken het niet mogelijk te dezen te oordelen dat in de samenhang was "voorzien bij de wet", temeer daar het Hof van Cassatie, de hoogste rechtsplegende overheid in België, zelf had beslist, bij ontstentenis van saisine van het Arbitragehof, dat het feit dat personen worden uitgenodigd om voor het Hof van Cassatie te verschijnen die nooit ministeriële functies hadden uitgeoefend, voortvloeide uit artikel 103 van de Grondwet, veeleer dan uit de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering of van het Gerechtelijk Wetboek (paragraaf 47 hiervoor).
108. In zoverre in de samenhang niet was voorzien bij de wet, is het Hof van oordeel dat het Hof van Cassatie geen "bij de wet ingestelde" rechterlijke instantie was in de zin van artikel 6 om de vervolgingen tegen die vier andere verzoekers te onderzoeken. Gelet op die conclusie acht het Hof het onnodig uitspraak te doen over de beweerde schending van artikel 14, aangezien de op dit punt naar voren gebrachte argumenten in wezen samenvallen met die welke bij artikel 6 zijn onderzocht.
109. Wat betreft de grief van die vier verzoekende partijen afgeleid uit de ontstentenis van procedurewet en uit de daaruit voortvloeiende onzekerheid acht het Hof, rekening houdende met de hiervoor aangenomen conclusie, het niet noodzakelijk zich hierover uit te spreken.
110. Tot besluit stelt het Hof vast dat er, in hoofde van de Heer Coëme en van de andere verzoekers, schending is geweest van artikel 6, lid 1.
B. De prejudiciële vragen aan het Arbitragehof
111. De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau beweren dat de weigering van het Hof van Cassatie om aan het Arbitragehof prejudiciële vragen te stellen over de samenhang en de verlenging van de verjaringstermijn door willekeur is aangetast en inbreuk maakt op de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Verdrag. De in wezen door de Heer Coëme geformuleerde grief is beperkt tot de prejudiciële vraag met betrekking tot de verjaring.
112. Volgens de verzoeken verplichtte artikel 26, § 2, van de wet van 6 januari 1989 het Hof van Cassatie ertoe aan het Arbitragehof de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen, waarvan het ernstige karakter niet in het geding kon worden gebracht. Die verplichting strekt uitdrukkelijk ertoe het monopolie te waarborgen waarover het Arbitragehof beschikt inzake grondwetsinterpretatie, alsmede ieder risico van willekeur te vermijden in de beoordelingen die het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt in dit verband zou kunnen geven. Het willekeurige karakter van de weigering om de prejudiciële vragen te stellen blijkt eveneens uit de flagrante tegenstellingen die tot uiting komen in de arresten van het Hof van Cassatie en die van zijn procureur-generaal waarop dat Hof zich heeft gebaseerd. De verzoekers voegen eraan toe dat zij met hun verzoeken duidelijk een beroep hadden ingesteld in de zin van artikel 13 van het Verdrag, vermits die verzoeken precies ertoe strekten aan een hiervoor geschikte instantie het onderzoek voor te leggen van schendingen van rechten en vrijheden die zijn erkend door het Verdrag (artikelen 6 en 14), alsmede door de Belgische Grondwet.
113. De Regering verklaart van haar kant dat wanneer het nationale recht voorziet in een systeem van prejudiciële vragen, het redelijk en logisch is dat de rechter bij wie een verzoek in die zin is ingediend, onderzoekt of hij ertoe gehouden is de voorgestelde vraag te stellen. Het is in overeenstemming met de werking van alle mechanismen van prejudiciële vraagstelling dat de rechter nagaat of hij een dergelijke vraag kan of moet stellen. In het Belgische systeem zal de rechter met name nagaan of de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wel degelijk voortvloeit uit een norm die aan het Arbitragehof ter toetsing kan worden voorgelegd krachtens de bijzondere wet van 6 januari 1989. De grieven van de verzoekers hebben betrekking op de aan artikel 26, § 2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof te geven interpretatie. Dusdoende vragen zij het Hof een punt opnieuw te onderzoeken dat enkel tot het nationale recht behoort, hetgeen niet binnen zijn bevoegdheid valt. Zelfs als zij werd betwist, is echter de beslissing van het Hof van Cassatie om de gevraagde prejudiciële vragen niet te stellen, redelijk en geeft zij geenszins blijkt van enige willekeur, zodat zij geen inbreuk zou kunnen maken op artikel 6 van het Verdrag. Zij zou evenmin inbreuk kunnen maken op artikel 13 ervan, aangezien het mechanisme van de prejudiciële vragen niet kan worden beschouwd als zijnde een rechtsmiddel.
114. Het Hof merkt in de eerste plaats op dat het Verdrag niet als dusdanig een recht waarborgt op prejudiciële verwijzing van een zaak door een nationaal rechtscollege naar een andere nationale of internationale instantie. Het herinnert ook aan zijn rechtspraak volgens welke een "recht op een rechtbank" waarvan het recht van toegang een bijzonder aspect vormt, niet absoluut is en zich leent tot impliciet aanvaarde beperkingen, met name ten aanzien van de voorwaarden van ontvankelijkheid van een beroep, aangezien het vanuit zijn aard zelf een reglementering vereist door de Staat, die in dit verband over een zekere beoordelingsmarge beschikt (zie o.m. het arrest Brualla Gomez de la Tiorre t. Spanje van 19 december 1997, Recueil, 1997-VIII, p. 2955, § 33). Het recht om een zaak door middel van een prejudiciële vraag bij een rechtbank aanhangig te maken, kan evenmin absoluut zijn, zelfs wanneer een wetgeving een juridisch domein aan de enkele beoordeling van een rechtbank voorbehoudt en voor de andere rechtscolleges voorziet in de verplichting om aan haar, zonder voorbehoud, alle daarop betrekking hebbende vragen voor te leggen. Zoals de Regering beweert is het in overeenstemming met de werking van een dergelijk mechanisme dat de rechter nagaat of hij een prejudiciële vraag kan of moet stellen, door zich ervan te vergewissen of die vraag moet worden opgelost om hem ertoe in staat te stellen het geschil te beslechten waarover hij uitspraak moet doen. Afgezien hiervan is het niet uitgesloten dat onder bepaalde omstandigheden de weigering van een nationaal rechtscollege dat ertoe geroepen dit in laatste aanleg uit te spreken, afbreuk kan doen aan het beginsel van de billijkheid van de procedure, zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Verdrag, inzonderheid wanneer een dergelijke weigering door willekeur blijkt te zijn aangetast (Dotta t. ItalIë (besl.), nr. 38399/97, 7 september 1999 (niet bekendgemaakt); Predil Anstalt S.A. t. Italië (besl.), nr. 31993/96, 8 juni 1999 (niet bekendgemaakt).
115. Het Hof is van oordeel dat dit te dezen niet het geval is. Het Hof van Cassatie heeft immers de grieven van de verzoekers in aanmerking genomen met betrekking tot de toepassing van de regels van de samenhang en de wet van 24 december 1993, alsmede hun verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof. Het heeft zich vervolgens uitgesproken in voldoende gemotiveerde beslissingen die niet door willekeur blijken te zijn aangetast. Het Hof herinnert bovendien eraan dat de interpretatie van de interne wetgeving in de eerste plaats toekomt aan de nationale overheden, en met name aan hoven en rechtbanken (zie arrest Brualla Gomez de la Torre, voormeld, p. 2955, § 31, en Edificaciones March Gallego S.A. t. Spanje van 19 februari 1998, Recueil, 1998-1, p. 288, § 29).
116. Tot besluit oordeelt het Hof dat de weigering om prejudiciële vragen te stellen geen afbreuk heeft gedaan aan artikel 6, lid 1.
117. Gelet op deze beslissing met betrekking tot artikel 6, lid 1, acht het Hof het niet nodig de zaak te onderzoeken vanuit de gezichtshoek van artikel 13 van het Verdrag. De vereisten van die bepaling zijn immers minder strikt dan die van artikel 6, lid 1, en zij worden te dezen hierdoor geabsorbeerd (zie onder meer het arrest Pudas t. Zweden van 27 oktober 1987, serie A, nr. 125-A, p. 17, § 43, en het arrest Hentrich t. Frankrijk van 22 september 1994, serie A? nr. 296-A, p. 24, § 65).
C. Een onafhankelijk en onpartijdige rechterlijke instantie
118. De Heren Mazy en Stalport beweren dat het Hof van Cassatie niet zou kunnen worden beschouwd als een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie in de zin van artikel 6, lid 1 van het Verdrag, waarbij zij met name verwijzen naar de rol die gewoonlijk is toebedeeld aan het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie en naar zijn rol in het voeren van onderhavige zaak. Zij stellen allereerst vast dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie een vergadering heeft gehouden op 3 november 1995. In de loop van die vergadering heeft hij de deelnemers met name ter kennis gebracht dat de procedure zou verlopen volgens de gewone regels van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen werd bevestigd op de eerste terechtzitting die door het Hof van Cassatie werd gehouden. Dit betekent dat de procureur-generaal voorafgaandelijk minstens op de hoogte was gesteld van de keuze van de rechtspleging door het Hof van Cassatie. Vervolgens herinnerende aan de taak die traditioneel is toebedeeld aan het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie - die het Hof heeft kunnen beoordelen bij zijn onderzoek van de zaken Delcourt, Borgers, Vermeulen en Van Orshoven (arresten Delcourt t. België van 17 januari 1970, serie A, nr. 11; Borgers t. België van 30 oktober 1991? serie A, nr. 214-B; Vermeulen t. België van 20 februari 1996, Recueil 1996-I, en Van Orshoven t. België van 25 juni 1997, Recueil 1997-III) - en met name de traditionele praktijk van deelneming van het parket aan het opstellen van de arresten van het Hof, wijzen zij erop dat de verwarring van de rollen respectievelijk zijn toebedeeld aan het Hof van Cassatie en aan zijn parket, bijzonder frappant is. De Regering zou moeilijk kunnen verantwoorden dat welke maatregelen dan ook zijn genomen om een noodzakelijke afstand tot stand te brengen tussen het Hof van Cassatie en zijn openbaar ministerie, dat te dezen als vervolgende partij optrad. Zij wijzen integendeel erop dat de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie tijdens de terechtzittingen plaats hadden genomen op de estrade op hetzelfde niveau als het Hof en dat zij de zittingzaal binnenkwamen en verlieten in het gezelschap van de raadsheren van het Hof van Cassatie. Zij achten het ook symptomatisch dat de namen van de personen die dit hoge rechtscollege samenstellen en de vertegenwoordigers van zijn parket in eenzelfde paragraaf waren weergegeven in de processen-verbaal van terechtzitting (paragraaf 51 hiervoor) en dat het arrest van dat Hof nagenoeg een reproductie is van de vordering van het openbaar ministerie.
119. Wat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van het Hof van Cassatie betreft, beweert de Regering dat de verzoekers geen enkel bewijs leveren van concrete elementen of gebeurtenissen ter staving van hun stelling. Deze verwijst naar een "traditionele praktijk" van deelneming van het parket aan het opstellen van de arresten van het Hof van Cassatie, die een einde heeft genomen op de dag zelf van de arresten Borgers (in strafzaken) en Vermeulen (in burgerlijke zaken). De Regering wijst allereerst erop dat het Hof van Cassatie nog niet was samengesteld op 3 november 1995: de negentien magistraten (vijftien werkende en vier plaatsvervangende) zijn pas aangewezen enkele weken voor de eerste terechtzitting van 5 februari 1996. Het was bijgevolg materieel onmogelijk dat het openbaar ministerie over de gekozen procedure zou zijn ingelicht door een nog niet samengesteld rechtscollege. Het is evenwel duidelijk dat de door de procureur-generaal vermelde procedure de enig mogelijke en voorzienbare was. De Regering wijst eveneens erop dat de twee magistraten van het parket niet zitting namen op dezelfde bank als het Hof van Cassatie zelf, maar een aparte zetel hadden, tegenover die van de twee griffiers en dichter bij de plaats van de advocaten dan bij de bank van het Hof. Tijdens het hele verloop van de debatten en van het beraad hebben die twee magistraten zich overigens onthouden van ieder contact met het Hof buiten de terechtzittingen. Tenslotte heeft het Hof van Cassatie herhaaldelijk blijk gegeven van zijn onafhankelijkheid ten opzichte van het parket. Op 12 februari 1996 heeft het met name het parket, volgens de Heren Javeau en Stalport zelf, uitgenodigd zijn opmerkingen te kennen te geven in een uiteenzetting van de zaak zonder hiervan een vordering te maken (paragraaf 50 hiervoor) en het heeft niet de suggestie van het parket gevolgd om de verdediging te horen vóór het verhoor (paragraaf 51 hiervoor). De convergentie van het arrest met de vorderingen zou geen gewettigde twijfel kunnen opleveren ten aanzien van de onpartijdigheid van het Hof van Cassatie.
120. Het Hof herinnert eraan dat, om vast te stellen of een rechtbank kan doorgaan als "onafhankelijk" in de zin van artikel 6, lid 1, met name rekening moet worden gehouden met het bestaan van een bescherming tegen externe druk en met het feit of er al dan niet een schijn van onafhankelijkheid bestaat (zie, onder vele andere, de arresten Findlay t. Verenigd Koninkrijk van 25 februari 1997, Recueil, 1997-I, p. 281, § 73, en Incal t. Turkije van 9 juni 1998, Recueil, Recueil, 1998-IV, p. 1571, § 65). Het Hof wijst in dit verband erop dat de vaststellingen van het arrest Delcourt in verband met de onafhankelijkheid van het Hof van Cassatie en van zijn parket hun volledige geldigheid behouden (arrest Delcourt, voormeld, pp. 17-19, §§ 32-38).
121. De onpartijdigheid in de zin van artikel 6, lid 1, wordt van haar kant beoordeeld volgens een dubbele stap: de eerste bestaat erin te trachten de persoonlijke overtuiging van een zekere rechter bij een zekere gelegenheid te bepalen; de tweede leidt ertoe zich ervan te vergewissen dat hij voldoende waarborgen bood om iedere gewettigde twijfel in dat opzicht uit te schakelen (zie onder andere, mutatis mutandis, het arrest Gautrin en anderen t. Frankrijk van 20 mei 1998, Recueil 1998-III, pp. 1030-1031, § 58). Enkel de twee stap is te dezen relevant. Ter zake kan evenwel de schijn van belang zijn. Het gaat om het vertrouwen dat de rechtbanken in een democratische samenleving, de rechtzoekenden moeten inboezemen, en in de eerste plaats in strafzaken de beklaagden ( zie onder meer de arresten Hauschildt t. Denemarken van 24 mei 1989, serie A, nr. 154, p. 21, § 48, en Pullar t. Verenigd Koninkrijk van 10 juni 1996, Recueil 1996-III, p. 794, § 38). Om zich uit te spreken over het bestaan van een gewettigde reden om te vrezen dat er in hoofde van een rechtscollege een gebrek aan onafhankelijkheid of onpartijdigheid bestaat, wordt het standpunt van de beschuldigde in aanmerking genomen, zonder dat dit evenwel een beslissende rol kan spelen. Het doorslaggevende element bestaat erin of de vrees van de betrokkene kan doorgaan als zijnde objectief verantwoord (zie mutatis mutandis, de voormelde arresten Hauschildt en Gautrin en anderen, ibidem).
122. Het Hof heeft dus als taak te onderzoeken of de verzoekers objectief een gewettigde reden hadden om te vrezen dat er een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou zijn vanwege het Hof dat hen berechte. In dit opzicht ziet het Hof geen enkele omstandigheid die van die aard is dat de vrees zou kunnen worden verantwoord die de betrokkenen afleiden uit het feit dat de procureur-generaal, tijdens de vergadering van 3 november 1995, de procedure had gepreciseerd die zou worden gevolgd. Het lijkt daadwerkelijk dat die informatie zou zijn gegeven op een ogenblik waarop de magistraten die geroepen waren om in de zaak zitting te nemen, nog niet waren aangewezen en zich nog niet hadden kunnen buigen over het probleem dat zich in dit verband voordeed vanwege het tekortschieten van de wetgever. Overigens verantwoordt geen enkele omstandigheid de vrees van het bestaan van zekere banden van onderwerping of afhankelijkheid van het Hof van Cassatie ten opzichte van zijn openbaar ministerie die de verzoeker afleiden uit de andere elementen die zij hebben vermeld. Volgens het Hof zijn de twee omstandigheden die zijn aangevoerd door de Regering ter staving van haar stelling dat het Hof van Cassatie autonoom is ten opzichte van het parket, en inzonderheid de bewering van de Heren Javeau en Stalport met betrekking tot de tussenkomst van de eerste voorzitter tijdens de uiteenzetting van de zaak door het openbaar ministerie, van die aard dat iedere wettige grondslag wordt ontnomen aan de twijfel die de verzoeker in dit verband hebben kunnen koesteren.
123. Tot besluit dient te worden gesteld dat de verzoekers geen gewettigde twijfel konden hebben ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hof van Cassatie.
D. Het verhoor van de Heer Stalport op 16 maart 1994
124. De Heer Stalport heeft zich ook erover beklaagd veroordeeld te zijn op basis van zijn verklaringen van 16 maart 1994, hetgeen hem de waarborgen van een eerlijk proces zou hebben ontnomen. Hij verklaart over de hem ten laste gelegde feiten enkel te zijn gehoord tijdens zijn verhoor van 16 maart 1994, in het kader van de procedure die moest worden gevoerd ten laste van minister M. Aangezien hij werd gehoord als getuige, werd hij niet ingelicht over het feit dat hij het recht had om niet te antwoorden op de vragen die hem werden gesteld. Hij werd nooit gehoord in hoedanigheid van verdachte nadat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vervolgingen te zijnen laste had ingesteld. Ten slotte heeft het Hof van Cassatie uitdrukkelijk sommige van zijn verklaringen afgelegd op 16 maart 1994 in aanmerking genomen als zijnde een bekentenis, waarbij het zich met name als volgt uitdrukte bij zijn onderzoek van hetgeen hem ten laste werd gelegd: "Overwegende dat uit de verklaringen van Jean-Louis Stalport (...) blijkt dat de splitsing bedoeld was om het verplichte advies van de inspecteur van financiën te omzeilen". Hij herinnert eraan dat in de zaak Murray (arrest John Murray t. Verenigd Koninkrijk van 8 februari 1996, Recueil 1996-1, p. 49, § 45), het Hof heeft overwogen dat "om te zwijgen tijdens een politieverhoor en het recht om zichzelf niet te beschuldigen algemeen erkende internationale normen zijn die de kern van het begrip 'eerlijk proces' verankerd in artikel 6 raken".
125. Volgens de Regering is het niet aangetoond dat de Heer Stalport op welk ogenblik dan ook ertoe gedwongen was - of ertoe gedwongen had kunnen zijn - bij te dragen tot zijn eigen beschuldiging. Het is een officier van politie die is overgegaan tot verhoor, op 16 maart 1994, en dit werd verricht zonder eedaflegging. De Heer Stalport, wiens veroordeling niet enkel berust op zijn verklaringen, was dus geenszins verhinderd om gebruik te maken van zijn recht op stilzwijgen, zich op nuttige wijze te verdedigen of bijkomende onderzoekstaken te vragen, hetgeen de Heer Javeau van het Hof van Cassatie heeft verkregen. Volgens de Regering bestaat de werkelijke draagwijdte van het zogeheten beginsel van de "niet-zelfbeschuldiging" erin te beletten dat iemand ertoe zou worden verplicht de waarheid onder eed te zeggen, als deelnemer aan de werking van het gerecht en op straffe van sanctie in geval van valse verklaring, om vervolgens tegen hem zijn eigen verklaringen te zien gebruiken en zich van een misdrijf te zien beschuldigen.
126. Het Hof herinnert eraan dat het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, d.w.z. het recht om te zwijgen en om zichzelf niet te beschuldigen, de kern van het eerlijk proces raakt (arresten John Murray, op. cit., en Funke t. Frankrijk van 25 februari 1993, serie A, nr. 256-A, p. 22, § 44; zie ook Saunders t. Verenigd Koninkrijk van 17 december 1996, Recueil 1996-VI, pp. 2064-2065, §§ 68 en 71).
127. Het Hof wijst erop dat de grief van de Hee Stalport in wezen betrekking heeft op het gebruik, in de tegen hem gerichte strafrechtelijke procedure, van zijn verklaringen te hebben opgenomen op 16 maart 1994. Het Hof dient bijgevolg te onderzoeken of het gebruik dat bij de inbeschuldigingstelling hiervan werd gemaakt, op onverantwoorde wijze afbreuk heeft gedaan aan het recht om zichzelf niet te beschuldigen. Het moet dit vraagstuk onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van de zaak.
128. Het Hof van Cassatie, dat de tenlastelegging met betrekking tot de drie op 15 juni 1989 ondertekende overeenkomsten analyseerde, heeft in zijn arrest van 5 april 1996 geoordeeld dat uit de verklaringen van de Heren Stalport en Javeau bleek dat het doel van de opsplitsing van de aanvankelijke overeenkomst, waarvoor de inspectie van financiën een ongunstig advies had uitgebracht, erin bestond het verplichte advies van de inspecteur van financiën te omzeilen (paragraaf 60 hiervoor). Bij het onderzoek van de verklaringen bedoeld door het Hof van Cassatie, blijkt dat dit Hof deze afleiding heeft moeten baseren op de woorden van de Heer Javeau die werden opgetekend in het proces-verbaal van zijn verhoor van 8 juni 1993 (paragraaf 21 hiervoor) en niet op een bekentenis die zou voortvloeien uit het proces-verbaal van verhoor van de verzoeker van 16 maart 1994 (paragraaf 27 hiervoor). Laatstgenoemde heeft immers steeds verklaard, zowel tijdens dat verhoor als tijdens zijn ondervraging van 20 februari 1996 (paragraaf 52 hiervoor), dat de beslissing om de oorspronkelijke overeenkomst op te splitsen niet tot doel had aan de controle van het ministerie van financiën te ontsnappen. Onder die omstandigheden kan men er niet van uitgaan dat het Hof van Cassatie, om de schuld van de Heer Stalport aan te tonen, zijn toevlucht heeft genomen tot bewijselementen die van hem zijn verkregen tegen zijn wil in, door middel van dwang of door het uitoefenen van druk.
129. Bijgevolg is het Hof niet van oordeel dat het eerlijke karakter van de rechtspleging in het gedrang werd gebracht door het gebruik van bewijselementen die door middel van dwang werden verkregen.
130. Er is bijgevolg geen schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.
E. De redelijke termijn
131. De Heer Hermanus beweert dat zijn zaak niet werd gehoord binnen een redelijke termijn. Hij zet uiteen dat zijn situatie was aangetast reeds bij de arrestatie van de Heer Javeau in 1989, waarbij de pers zijn rechtschapenheid in twijfel had getrokken, hetgeen hem ertoe heeft gebracht klacht in te dienen bij de onderzoeksrechter wegens eerroof, op 28 augustus 1989. Het Hof van Cassatie, dat zitting hield in eerste en laatste aanleg, heeft zich echter pas zes en een half jaar later uitgesproken. De verzoeker wijst erop dat de hem ten laste gelegde feiten, die de onderzoeksrechter reeds bij het begin bekend waren, dermate eenvoudig en weinig complex zijn dat het arrest van 5 april 1996 er maar een halve pagina aan besteedt. Bovendien zijn de onderzoeksdaden die op hem betrekking hebben weinig talrijk. Dit geldt inzonderheid voor het gerechtelijk deskundigenonderzoek, dat het grootste gedeelte van zijn uiteenzetting wijdt aan feitelijke omstandigheden die niet tegen hem werden aangevoerd. De beweerde complexiteit van de vervolgingen is slechts het gevolg van de wil van de overheden om een "systeem" op te zetten waarbij alle vervolgde personen worden verenigd. De samenhang is enkel verantwoord door de noodwendigheden van de rechtsbedeling op voorwaarde dat de rechten van de verdediging in acht worden genomen. Een afzonderlijk onderzoek van de hem ten laste gelegde feiten had reeds in 1994 of zelfs eerder kunnen plaatsvinden, en dit had geenszins belet staande te houden dat de op hem betrekking hebbende feiten verband hielden met een beweerd systeem.
132. De Regering beklemtoont dat de verzoeker de houding van de gerechtelijke overheden niet in het geding brengt, hetgeen hij overigens niet zou kunnen doen. Door te verwijzen naar de overwegingen die op dit punt door het Hof van Cassatie zijn ontwikkeld in zijn arrest van 5 april 1996, stelt zij vast dat ondanks de complexiteit van de zaak, de gerechtelijke overheden onderzoeksdaden hebben gesteld zonder enige verwijl, parallel met het uitwerken van een bijzonder moeilijk deskundigenverslag. De verwijten van de verzoeker hebben in wezen betrekking op de toepassing van de regel van de samenhang, die op redelijke wijze verantwoord was gelet op de nauwe betrokkenheid van de Heer Hermanus in het strafbare systeem dat werd opgezet. De centrale rol van de vereniging "U" en van de Heer Javeau in het systeem voor financiering van politieke activiteiten impliceerde echter noodzakelijkerwijze de groepering van alle feiten en dus van alle verdachten die hiermee in verband hadden gestaan.
1. In aanmerking te nemen periode
133. Volgens het Hof is de in aanmerking te nemen periode begonnen op 28 augustus 1991, datum waarop een huiszoeking werd verricht op de woonplaats van de Heer Hermanus en in zijn kantoren (paragraaf 19 hiervoor). Het Hof herinnert eraan dat in strafzaken de "redelijke termijn" van artikel 6, lid 1, begint vanaf het ogenblik waarop een persoon "wegens een strafbaar feit wordt vervolgd"; het kan gaan om een datum voorafgaand aan de saisine van het vonnisgerecht, die met name van de arrestatie, van de inverdenkingstelling, van de opening van een vooronderzoek. In de "ingestelde strafvervolging" in de zin van artikel 6, lid 1, kan worden gedefinieerd "als de officiële kennisgeving, uitgaande van de bevoegde overheid, van het verwijt een strafbaar feit te hebben begaan", hetgeen ook verwijst naar de idee van "belangrijke weerslag op de situatie" van de verdachte (arrest Hozee t. Nederland van 22 mei 1998, Recueil 1998-III, p. 1100, § 43; arrest Eckle t. Duitsland van 15 juli 1982, serie A nr. 51, p. 33, § 73). Al kan de perscampagne waarvan de verzoeker melding maakt niet gelijk worden gesteld met een dergelijke "kennisgeving", doch is dit wel degelijk het geval voor de huiszoekingen verricht op 28 augustus 1991 (Neubeck t. Duitsland, verzoekschrift nr. 9132/80, verslag van 12 december 1983, DR 41, p. 13).
134. Overigens wordt geenszins betwist dat de in aanmerking te nemen periode een einde genomen op 5 april 1996, dag van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie (paragraaf 55 hiervoor).
135. Zij bedraagt dus vier jaar, zeven maanden en acht dagen.
2. Redelijk karakter van de duur van de rechtspleging
136. Het redelijk karakter van de duur van een rechtspleging wordt beoordeeld volgens de omstandigheden van de zaak en in het licht van de criteria die zijn verankerd door de rechtspraak van het Hof, inzonderheid de complexiteit van de zaak, het bedrag van de verzoeker en dat van de bevoegde overheden (zie, onder vele andere, Pélissier en Sasso t. frankrijk [GC], nr. 25444/94, § 67, EHRM 1999-II, en Philis t. Griekenland (nr. 2) van 27 juni 1997, Recueil 1997-IV, p. 1083, § 35).
137. Het Hof stelt allereerst vast dat de zaak complex was. Aan de gerechtelijke overheden werd een veelheid aan materiële feiten voorgelegd. Die omstandigheid en de aard zelf van de tenlasteleggingen vergden vanwege de personen belast met het onderzoek van de zaak een langdurig werk van reconstructie van de feiten, samenbrengingen van de bewijzen en bepaling, voor elk van de personen die betrokken bleken te zijn, van de feiten en de tenlasteleggingen die hun werden verweten. Dit alles verklaart de omvang van het dossier, omvang waarop de Heren Mazy, Stalport en Javeau zelf hebben gewezen in hun geschriften voor het Hof. Bovendien werden in de zaak delicate rechtsvragen opgeworpen, die, alvorens te worden gesteld aan de verzoekers en vervolgens aan het Hof van Cassatie, een antwoord moesten krijgen vanwege de Belgische gerechtelijke overheden. Tenslotte impliceerden de functies uitgeoefend door sommige van de verdachte personen, onder wie de Heer Hermanus zelf, vanwege de vervolgende overheden de saisine van organen van de wetgevende macht teneinde de "machtiging" te verkrijgen om te vervolgen of uitspraak te zien doen over een eventuele verwijzing voor berechting.
138. Wat het gedrag van de Heer Hermanus betreft, lijkt geen enkele vertraging aan hem te moeten worden toegeschreven.
139. Uit het onderzoek van de zaak in het licht van de opmerkingen van de partijen is geen enkele periode van inactiviteit gebleken die toe te schrijven zou zijn aan de nationale gerechtelijke overheden. De verzoeker brengt het voeren van de zaak door die overheden overigens niet in het geding, maar betwist hun beslissing om de hen ten laste gelegde feiten samen te onderzoeken met die welke aan andere personen ten laste werden gelegd, zich beroepende op de samenhang. In de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid hebben de gerechtelijke overheden onbetwistbaar het risico genomen om de verwijzing van de Heer Hermanus voor berechting te vertragen. De omstandigheid evenwel dat de aan de Heer Javeau en aan de andere beklaagden ten laste gelegde feiten aan het licht zijn gekomen door hetzelfde onderzoek en de onderlinge afhankelijkheid van de beschuldigingen, door het Hof van Cassatie vermeld in zijn arrest van 5 april 1996 (paragraaf 55 hiervoor), konden op redelijke wijze vereisen dat de tenlasteleggingen die de verzoeker werden verweten, niet zouden worden losgekoppeld van de rest van het onderzoeksdossier.
140. Artikel 6 "schrijft de snelheid van de gerechtelijke procedures voor, maar huldigt ook het meer algemene beginsel van goede rechtsbedeling" (arrest Boddaert t. België van 12 oktober 1992, serie A nr. 235-D, pp. 82-83, § 39). In de omstandigheden van de zaak lijkt de houding van de gerechtelijke overheden in overeenstemming te zijn met het juiste evenwicht dat moet worden gehandhaafd tussen de verschillende aspecten van dit fundamentele vereiste.
141. Bijgevolg is er op dit punt geen schending geweest van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.
II. TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL 7 VAN HET VERDRAG
142. De Heren Coëme en Hermanus doen gelden dat de toepassing van de nieuwe wet betreffende de verjaring een schending van artikel 7 van het Verdrag met zich heeft meegebracht, dat als volgt luidt:
"1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
2. Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend."
143. De verzoekers beweren dat het beginsel van de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet op de verjaring en de uitdrukkelijke wil van de wetgever het Hof van Cassatie ertoe verplichtten vast te stellen dat de verjaring van de strafvordering, wat hen betrof, was verworven op 22 februari 1996, zijnde vijf jaar na het stuitingsfeit dat zich op 22 februari 1991 had voorgedaan. Bij zijn arrest van 5 april 1996 heeft het Hof echter een vervallen termijn doen herleven en verlengd, hetgeen niet mogelijk is, hierbij overwegende dat een oorspronkelijke termijn van vijf jaar was ingegaan op 30 november 1989 ten opzichte van de Heer Coëme en op 29 februari 1988 ten opzichte van de Heer Hermanus. Het heeft bovendien de verjaringstermijn een tweede maal gestuit, hetgeen artikel 22 van het Wetboek van Strafvordering echter niet toestaat, door de datum van 10 juli 1992 in aanmerking te nemen. De verzoekers besluiten hieruit dat het Hof van Cassatie daadwerkelijk met terugwerkende kracht artikel 25 van de wet van 24 december 1993 heeft toegepast. Zulks heeft inbreuk gemaakt op artikel 7, in zoverre de bepaling van de periode gedurende welke een feit kan worden bestraft beslist evenzeer bijdraagt tot het begrip "straf" als de maatregel die krachtens de wet als sanctie wordt opgelegd. Artikel 7 verankert immers het principe van de voorzienbaarheid van het strafbaar feit en van de straf, hetgeen de voorzienbaarheid van de bestraffing inhoudt.
144. De Regering bestrijdt die beweringen. Zij doet gelden dat de extensieve interpretatie van artikel 7 die de verzoekers naar voren brengen, niet bestaanbaar is met de tekst ervan. Artikel 7 bevat weliswaar het verbod van retroactiviteit, maar dat verbod heeft enkel betrekking op de strafbaarstellingen en de straffen en is dus niet van toepassing op de procedureregels, met name de verjaring. De interpretatie van de verzoekers volgen, zou een ernstige belemmering vormen voor de mogelijkheid voor de Staten om de nodige aanpassingen in de strafrechtelijke procedures door te voeren en rekening te houden met de overbelasting van de rechtscolleges. In ondergeschikte orde merkt de Regering op dat, zelfs als men ervan zou willen uitgaan dat artikel 7 eveneens de verjaring in strafzaken betreft, het als loutere draagwijdte zou hebben te verhinderen dat, zodra ze is verworven, de verjaring van de strafvordering opnieuw in het geding zou worden gebracht. Het is enkel in een dergelijk geval dat er retroactiviteit zou zijn: de nieuwe wet zou immers moeten "teruggaan in de tijd" ten opzichte van de inwerkingtreding ervan om een verworven verjaring teniet te kunnen doen. Niets van dit alles heeft zich evenwel te dezen voorgedaan. Op 31 december 1993, datum van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, was de verjaring niet verworven volgens de voorheen toepasselijke regels en het Hof van Cassatie heeft vanaf de in het geding zijnde feiten de nieuwe verjaringstermijn toegepast waarin de wet van 24 december 1993 voorziet. Er dient immers te worden opgemerkt dat de verjaring geen betrekking heeft op de feiten maar op de enkele strafvervolging. Zij wijst op procedureregels waarvoor een nieuwe wet onmiddellijk effect sorteert op alle andere procedures.
145. Het Hof herinnert eraan dat, overeenkomstig zijn rechtspraak, artikel 7 met name het beginsel van de legaliteit van de wanbedrijven en straffen verankert (nullum crimen, nulla poena sine lege). Hoewel het inzonderheid het verbod inhoudt om het toepassingsgebied van de bestaande misdrijven uit te breiden op feiten die voorheen geen misdrijven waren, houdt het anderzijds de verplichting in om de strafwet niet op extensieve wijze ten nadele van de beschuldigde toe te passen, bijvoorbeeld door analogie. Hieruit volgt dat de wet de misdrijven en de straffen die daarop zijn gesteld, duidelijk moet bepalen. Aan die voorwaarde is voldaan wanneer de rechtzoekende, op grond van de bewoordingen van de relevante bepaling en desnoods met behulp van de interpretatie die door de rechtbanken eraan is gegeven, kan weten welk handelen en welk nalaten zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het geding brengt.
Het begrip "recht" ("law") vervat in artikel 7 stemt overeen met die van "wet" in de andere artikelen van het Verdrag; het omvat het oorspronkelijke, zowel wetgevende als jurisprudentiële recht en impliceert kwalitatieve voorwaarden, ondermeer die van de toegankelijkheid en van de voorzienbaarheid (arresten Cantoni t. Frankrijk van 15 november 1996, Recueil 1996-V, p. 1627, § 29, en S.W. en C.R. t. Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995, serie A, nr. 335-B en 335-C, pp. 41-42, § 35, en respectievelijk pp. 68-69, § 33). De taak van het Hof bestaat er dus in zich ervan te vergewissen of op het ogenblik waarop een beschuldigde de handeling heeft gesteld die aanleiding heeft gegeven tot vervolging en veroordeling, een wettelijke bepaling bestond die de handeling strafbaar stelde en of de opgelegde straf niet de door die bepaling gestelde perken te buiten is gegaan (verzoekschrift nr. 4681/70, beslissing van 3 en 4 oktober 1972, Recueil de décisions 43, p. 1). Het begrip "straf" heeft een autonome draagwijdte, zodat het Hof, om de bij artikel 7 geboden bescherming doeltreffend te maken, vrij moet blijven om verder te gaan dan de schijn en zelf te beoordelen of een bepaalde maatregel ten gronde moet worden geanalyseerd als zijnde een "straf" in de zin van deze bepaling (arrest Welch t. Verenigd Koninkrijk van 9 februari 1995, serie A nr. 307-A, p. 13, § 27). Als de tekst van het Verdrag het uitgangspunt van die beoordeling is, kan het Hof ertoe worden gebracht zich op andere elementen te baseren, waaronder de parlementaire voorbereiding. Gelet op het doel van het Verdrag, dat erin bestaat concrete en effectieve rechten te beschermen, kan het ook rekening houden met de inachtneming van een evenwicht tussen het algemeen belang en de fundamentele rechten van het individu, alsmede de op dit ogenblik heersende opvattingen in democratische Staten (zie met name het arrest Airey t. Ierland van 9 oktober 1979, serie A nr. 32, pp. 15-16, § 26, en het arrest Guzzardi t. Italië van 6 november 1980, serie A nr. 39, pp. 34-35, § 95).
146. De verjaring kan worden omschreven als het recht dat bij de wet wordt toegekend aan de auteur van een misdrijf om niet meer vervolgd of berecht te worden na afloop van een zekere termijn vanaf de verwezenlijking van de feiten. De verjaringstermijnen, die gemeenschappelijk zijn aan de rechtssystemen van de verdragsluitende Staten, hebben verscheidene doeleinden, waaronder het waarborgen van de rechtszekerheid door een termijn te stellen aan de vorderingen, en het beletten van een aanpassing van de rechten van de verdediging die in het gedrang zouden kunnen worden gebracht indien de rechtbanken geroepen zouden zijn om zich ten gronde uit te spreken over bewijselementen die onvolledig zouden zijn vanwege de tijd die is verstreken (arrest Stubbings en anderen t. Verenigd Koninkrijk van 22 oktober 1996, Recueil 1996-IV, pp. 1502-1503, § 51).
147. Het Hof stelt vast dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 5 april 1996 met name heeft verklaard dat ten aanzien van de Heren Coëme en Hermanus feiten van valsheid en gebruik van valse stukken, die door het strafwetboek als misdaden zijn gekwalificeerd, bewezen waren. Door verzachtende omstandigheden aan te nemen, heeft het evenwel aan die feiten, zoals aan de andere feiten die het bewezen heeft verklaard, het karakter van wanbedrijf toegekend. In het Belgische recht richt de kwalificatie van het misdrijf zich niet naar de toepasselijke straf, maar wel naar de toegepaste straf. Het is dus op de datum van de berechting dat men zich moet plaatsen om uiteindelijk de verjaringstermijn van de strafvordering vast te stellen. Onder die voorwaarden heeft het Hof van Cassatie de verjaringstermijn inzake wanbedrijven in aanmerking genomen. Vervolgens, door over te gaan tot een onmiddellijke toepassing van de wet van 24 december 1993, heeft het Hof geoordeeld, na te hebben vastgesteld dat de bewezen verklaarde feiten niet waren verjaard op de datum van inwerkingtreding van de wet, dat de verjaringstermijn vijf jaar bedroeg vanaf de feiten, eventueel verlengd met een nieuwe termijn van vijf jaar vanaf de stuitingshandeling die regelmatig is voltrokken vóór het verstrijken van de eerste termijn van vijf jaar (paragraaf 57 hiervoor).
148. Het Hof merkt op dat de door het Hof van Cassatie gekozen oplossing gebaseerd is op zijn rechtspraak volgens welke de wetten die de verjaringsregels wijzigen voortaan, in België, worden beschouwd als bevoegdheids- en procedurewetten. Bijgevolg inspireert het zich op het algemeen erkende beginsel volgens hetwelk, behoudens uitdrukkelijke bepalingen in tegengestelde zin, de procedurewetten onmiddellijk van toepassing zijn op de lopende procedures (arrest Brualla Gomez de la Torre, voormeld, p. 2956, § 35).
149. De verlenging van de verjaringstermijn ingevoerd bij de wet van 24 december 1993 en de onmiddellijke toepassing ervan door het Hof van Cassatie hebben weliswaar toe gevolg gehad dat de termijn gedurende welke de feiten konden worden vervolgd, werd verruimd, en zij waren ongunstig voor de verzoekers, doordat met name hun verwachtingen werden gedwarsboomd. Een dergelijke situatie maakt evenwel geen inbreuk op de bij artikel 7 gewaarborgde rechten vermits men die bepaling niet in die zin kan interpreteren dat zij, door het gevolg van de onmiddellijke toepassing van een procedurewet, een verlenging van de verjaringstermijnen verhindert wanneer de ten laste gelegde feiten nooit zijn verjaard.
De vraag betreffende een eventuele aantasting van artikel 7 door een bepaling die tot gevolg zou hebben de mogelijkheid van bestraffing van feiten te doen herleven die niet-strafbaar zijn geworden ten gevolge van een verworven verjaring, is vreemd aan onderhavige zaak en moet te dezen dus niet worden onderzocht, zelfs als, zoals de Heer Hermanus beweert, het Hof van Cassatie, wat hem betreft, een stuitend effect zou hebben toegekend aan een handeling die dat effect niet had op het ogenblik waarop ze werd gesteld.
150. Het Hof stelt vast dat de verzoekers, die er niet onwetend ervan konden zijn dat de ten laste gelegde feiten hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het geding konden brengen, werden veroordeeld voor handelingen waarvoor de strafvervolging nooit door verjaring is vervallen. Die handelingen vormden misdrijven op het ogenblik waarop zij werden begaan en de opgelegde straffen zijn niet zwaarder dan die welke op het ogenblik van de feiten toepasselijk waren. De verzoekers hebben evenmin vanwege de wet van 24 december 1993 een groter nadeel geleden dan datgene waaraan zij waren blootgesteld op het ogenblik waarop de misdrijven werden begaan (zie, mutatis mutandis, het voormelde arrest Welch, P. 14, § 34).
151. Bijgevolg is er geen aantasting geweest van de rechten van de betrokkenen op grond van artikel 7 van het Verdrag.
III. TEN AANZIEN VAN DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 41 VAN HET VERDRAG
152. Artikel 41 van het Verdrag luidt:
"Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan ee benadeelde."
A. Schadevergoeding
1. De Heer Coëme
153. De Heer Coëme beweert dat het materiële nadeel voortvloeiende uit de beweerde schendingen van het Verdrag 22.660.749 BEF bedraagt, zijnde 20.544.024 BEF wegens verlies aan inkomsten gekoppeld aan zijn activiteiten van volksvertegenwoordiger, burgemeester en gemeenteraadslid en aan zijn mandaten in drie vennootschappen, die hij niet kon uitoefenen tussen mei 1996 en december 1998 of juni 1999, en 2.116.725 BEF zijnde het bedrag van de geldboetes, verbeurdverklaringen en burgerlijke veroordelingen welke werden uitgesproken, alsmede de kosten van de strafvordering en de registratiekosten. Hij verzoekt eveneens het Hof rekening te houden met sommige voordelen voortvloeiende uit het mandaat van volksvertegenwoordiger, zonder ze evenwel te becijferen. Hij zet uiteen dat het oorzakelijk verband tussen de schade en de schending van het Verdrag onbetwistbaar is vermits hij niet had kunnen worden veroordeeld indien de waarborgen vervat in het Verdrag in acht zouden zijn genomen. Hij formuleert geen enkele vordering wat het morele nadeel betreft.
154. Volgens de Regering heeft de verzoeker het bestaan van een materieel nadeel niet op behoorlijke wijze bewezen.
155. Het Hof ziet geen oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 7, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade. Het Hof kan immers niet speculeren op wat de afloop zou zijn geweest van een procedure conform artikel 6, lid 1. Bijgevolg verwerpt het de aanspraken van de verzoeker op deze titel (zie laatstelijk Nikolova t. Bulgarije [GC], nr. 31195/96, § 73, EHRM 1999-II en Demir en anderen t. Turkije van 23 september 1998, Recueil 1998-VI, p. 2660, § 63). Het oordeelt bovendien dat bij ontstentenis van vordering op dit punt, er geen aanleiding toe bestaat aan de verzoeker een som toe te kennen wegens morele schade.
2. De Heer Mazy
156. De Heer Mazy beweert vanwege de aangevoerde schendingen van het Verdrag een belangrijk materieel en moreel nadeel te hebben geleden. Hij preciseert dat zijn materieel nadeel 7.369.768 BEF bedraagt, zijnde 6.722.000 BEF wegens inkomstenverlies met betrekking tot zijn mandaat van gedelegeerd bestuurder in een vennootschap, dat hij niet heeft kunnen voortzetten vanwege zijn veroordeling en 647.768 BEF zijnde het bedrag van de geldboetes, verbeurdverklaringen en schikkingen met de burgerlijke partijen als gevolg van de veroordeling die werd uitgesproken, alsmede de kosten van de strafvordering en de registratiekosten. Zijn moreel nadeel bepaalt hij daarentegen niet.
157. De Regering is van oordeel dat deze verzoeker het bestaan van een materieel nadeel niet behoorlijk heeft bewezen. Zij beweert bovendien dat het morele nadeel dat de Heer Mazy beweert te hebben geleden onvoldoende is gepreciseerd.
158. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en het materiële nadeel verwerpt het Hof de desbetreffende aanspraken van de verzoeker (paragraaf 155 hiervoor). Anderzijds oordeelt het Hof dat de Heer Mazy een vaststaand moreel nadeel heeft geleden vanwege de schendingen die werden vastgesteld. Gelet op de omvang ervan kan de loutere vaststelling van die schendingen dit nadeel niet compenseren. Rekening houdende met de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid de som van 300.000 BEF uit dien hoofde toe te kennen.
3. De erfgenamen van de Heer Stalport
159. De echtgenote en de dochters van de Heer Stalport menen dat het door hun echtgenoot en vader geleden materiële nadeel 68.680 BEF bedraagt, zijnde het bedrag van de geldboete en de kosten van de strafvordering die hij heeft moeten betalen naar aanleiding van zijn veroordeling. Zij doen ook opmerken dat hij zijn bestuurdersmandaten in diverse vennootschappen niet echt heeft kunnen voortzetten gelet op de straf die hem werd opgelegd. Zij zetten uiteen dat de verschijning van de verzoeker voor het Hof van Cassatie een beproeving is geweest, dat dat rechtscollege niet bevoegd was om de betrokkene te berechten en dat de gevolgde procedure niet regelmatig was. Het uitzonderlijke karakter van het proces, dat meer dan vijf maanden heeft geduurd, en de sterke mediabelangstelling hiervoor hebben afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat zijn relaties in hem hadden en was een hinderpaal voor de normale en serene uitoefening van zijn activiteiten van algemeen bestuurder, los van het feit dat afbreuk werd gedaan aan zijn eer en aan die van zijn naaste familieleden. De beproevingen die hij heeft ondergaan en zijn veroordeling zijn niet vreemd aan de verslechtering van zijn gezondheidstoestand. De echtgenote en de dochters van de Heer Stalport vragen bijgevolg de toekenning van een billijke genoegdoening in verband met die materiële en morele schade. Zij verzoeken het Hof die vergoeding naar billijkheid te bepalen.
160. De Regering doet gelden dat het bestaan van een materieel nadeel in hoofde van de verzoeker niet behoorlijk is bewezen. De Regering, die erop wijst dat enkel het door de Heer Stalport geleden morele nadeel in aanmerking kan worden genomen, stelt allereerst vast dat dit nadeel niet is becijferd, zodat zij niet in de mogelijkheid is om zich op dienstige wijze te verdedigen. Zij betoogt bovendien dat de aantastingen van de eer en van het beroepsleven, in de veronderstelling dat dit laatste onderscheiden is van het beweerde materiële nadeel, niet voortvloeien uit de beweerde schendingen van het Verdrag, maar uit het bestaan van de vervolgingen en van de veroordeling. Ten slotte is de mediabelangstelling het gevolg van de hoedanigheid van de vervolgde personen en van de aard van de ten laste gelegde feiten.
161. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade, verwerpt het Hof de uit dien hoofde gemaakte aanspraken (paragraaf 155 hiervoor). Daarentegen oordeelt het Hof dat de Heer Stalport een vaststaand moreel nadeel heeft geleden vanwege de schendingen die het heeft vastgesteld (artikel 158 hiervoor). Rekening houdende met de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid de som van 300.000 BEF uit dien hoofde toe te kennen.
4. De Heer Hermanus
162. De Heer Hermanus beweert een belangrijk materieel nadeel te hebben geleden vanwege kosten voortvloeiende uit het arrest van 5 april 1996 zelf en vanwege het verlies aan bezoldigingen gepaard gaande met zijn beroepsactiviteiten, die hij niet heeft kunnen voortzetten ten gevolge van het verbod om gedurende een termijn van vijf jaar de rechten uit te oefenen die zijn opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek. Hij wijst erop dat vanwege dat verbod hij het geheel van de activiteiten die zijn beroepsleven vormen heeft verloren (secretaris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeenschap, raadslid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, schepen, voorzitter van de GOMB en bestuurder van een vennootschap) die hem in 1995 een jaarinkomen van 8.679.619 BEF hadden opgeleverd. De boeten, kosten van de strafvordering en kosten voor fotokopies vertegenwoordigen van hun kant een som van 211.240 BEF. Hij betoogt dat hij bovendien een aanzienlijk moreel nadeel heeft geleden als gevolg van het - althans gedeeltelijke - verlies van de functies die hij beklede, van het feit van de intense mediabelangstelling voor het proces en van aanvallen van zijn politieke tegenstanders.
163. De Regering betwist het bestaan van een behoorlijk bewezen materieel nadeel. Ditzelfde geldt voor het morele nadeel, dat niet is becijferd, waarbij wordt verwezen naar de overwegingen die zijn uiteengezet ten aanzien van de aantasting van het beroepsleven en de mediabelangstelling met betrekking tot het morele nadeel beweerdelijk geleden door de Heer Stalport.
164. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en het materiële nadeel verwerpt het Hof de desbetreffende aanspraken van de verzoeker (paragraaf 155 hiervoor). Daarentegen meent het Hof dat de verzoeker een vaststaand moreel nadeel heeft geleden dat niet kan worden goedgemaakt door de loutere vaststelling van de schendingen (paragraaf 158 hiervoor). In de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid uit dien hoofde de som van 300.000 BEF toe te kennen.
5. De Heer Javeau
165. De Heer Javeau becijfert de verschillende materiële nadelen voortvloeiende uit de beweerde schendingen van het Verdrag op 19.000.000 BEF wegens inkomensverlies, 7.613.927 BEF wegens de geldboetes, bijdragen, vergoedingen, verbeurdverklaringen, burgerlijke veroordelingen, kosten van de strafvordering en kosten van registratie waarvoor hij op 25 mei 1999 effectief een som van 1.559.749 BEF had betaald, 606.745 BEF voor zijn aandeel in een burgerlijke veroordeling uitgesproken naar aanleiding van een vordering ingesteld op grond van het veroordelingsarrest van 5 april 1996, 182.307 BEF voor kopie- en fotokopiekosten van het strafdossier en kosten van dagvaarding van getuigen en 421.075 BEF wegens honoraria van boekhouders en fiscaaldeskundigen, waarbij een bedrag wordt gevoegd van 39.654.441 BEF, namelijk de sommen verschuldigd per 25 mei 1999 vanwege een fiscale herziening waartoe vanaf het begin van de vervolgingen werd overgegaan. Hij maakt ook gewag van een onmetelijk moreel nadeel, waarvan de raming enkel ex aequo et bono kan worden verricht en waarvan hij de beoordeling aan het Hof overlaat. Hij verklaart met name dat hij sociaal werd "vermoord" vanwege het loutere feit van zijn berechting door het Hof van Cassatie, waar hij is berecht onder ongewone omstandigheden op het vlak van de media, op psychologisch en openbaar vlak.
166. De Regering betwist het bestaan van een materieel nadeel en van een moreel nadeel (wat overigens niet is becijferd), dat behoorlijk zou zijn bewezen, met name met verwijzing naar de overwegingen die naar boven zijn gebracht met betrekking tot de mediabelangstelling in verband met het beweerdelijk door de Heer Stalport morele nadeel.
167. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade verwerpt het Hof de door de verzoeker in dit verband gemaakt aanspraken (paragraaf 155 hiervoor). Daarentegen is het Hof van oordeel dat de verzoeker een vaststaand moreel nadeel heeft geleden dat niet kan worden goedgemaakt door louter vaststelling van de schendingen (paragraaf 158 hiervoor). In de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid uit dien hoofde de som van 300.000 BEF toe te kennen.
B. Kosten
1. De Heer Coëme
168. De betrokkene vordert de terugbetaling van de som van 1.222.580 BEF wegens kosten aangegaan voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordiger en het Hof van Cassatie en de som van 229.510 BEF wegens kosten van het geding voor het Hof en de Commissie, zijnde in totaal 1.452.090 BEF.
169. De Regering is van oordeel dat, aangezien niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kosten voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en het Hof van Cassatie zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voorkomen of te corrigeren, de vordering op dit punt moet worden verworpen. Zij betwist ook sommige kosten gevorderd voor de procedure voor de organen van het Verdrag, en met name de kosten gevorderd vanwege de verschijning op de terechtzitting van 2 maart 1999, die een totaalbedrag van 1.381,60 Franse frank (FRF) bedragen. Volgens haar zijn die kosten volledig onafhankelijk van de ingezette middelen om de inachtneming te verzekeren van de door het Verdrag geboden waarborgen. Andere uit dien hoofde gevorderde kosten, meer bepaald de bedragen van 1.200 FRF en 17.250 BEF en de sommen voor verplaatsingskosten, zijn overdreven. Ten aanzien van de andere gevorderde sommen verklaart de Regering zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof.
170. Wanneer het Hof een schending van het Verdrag vaststelt, kan het aan een verzoeker niet alleen de betaling toekennen van zijn kosten voor de organen van het Verdrag, maar ook van die welke hij heeft gehad voor de nationale rechtscolleges om de schending te voorkomen of door hen te laten corrigeren (zie met name het arrest Hertel t. Zwitserland van 25 augustus 1998, Recueil 1998-VI, p. 2334, § 63). Te dezen stelt het Hof vast dat de verzoeker geen dergelijke kosten voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft gehad. Bijgevolg dient de vordering op dat punt te worden afgewezen. Daarentegen hebben de onzekerheden die werden vastgesteld wat betreft de regels die de voor het Hof van Cassatie te volgen procedure regelen, voor de verzoeker op vaststaande wijze bijkomende kosten met zich gebracht in de loop van dat geding. Het Hof acht het redelijk hem uit dien hoofde 200.000 BEF toe te kennen. De Heer Coëme is eveneens gerechtigd de betaling te vorderen van de kosten van het geding met betrekking tot de procedures voor de Commissie en het Hof, met inbegrip van de kosten voor het opstellen van een nota betreffende de minnelijke schikking op basis van artikel 38, lid 1, onder b), van het Verdrag. Uit hoofde van die procedures kent het Hof, naar billijkheid uitspraak doende op basis van de elementen waarover het beschikt, hem 200.000 BEF toe.
2. De Heer Mazy
171. Deze verzoeker vordert de betaling van 460.190 BEF voor zijn kosten van het geding voor de organen van het Verdrag en 1.000.000 BEF wegens erelonen voor het Hof van Cassatie.
172. De Regering erkent dat sommige door de verzoeker gevorderde bedragen althans gedeeltelijk betrekking kunnen hebben op middelen die door de verzoeker zijn aangewend om het Verdrag voor de nationale rechtscolleges te doen naleven. De verzoeker is evenwel in gebreke gebleven een dergelijk verband aan te tonen voor het essentiële gedeelte van de kosten die hij beweert te hebben moeten aangaan voor het Hof van Cassatie. In haar nota over de billijke genoegdoening van 29 juli 1999, heeft de Regering eveneens beweert dat de verzoeker niet in staat was de terugbetaling te vorderen van de kosten van het geding aangegaan voor de organen van het Verdrag bij ontstentenis van het bewijs dat hij ze werkelijk had gemaakt, vermits hij slechts een raming hiervan had verstrekt.
173. Met verwijzing naar de overwegingen uiteengezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Coëme (paragraaf 170 hiervoor) oordeelt het Hof rekening te moeten houden met het feit dat de verzoeker noodzakelijkerwijze bepaalde bijkomende kosten heeft moeten dragen in de loop van het geding voor het Hof van Cassatie gelet op de lacunes die werden vastgesteld in verband met de samenhang en de regels betreffende de procedure. Uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof hem de som toe van 300.000 BEF voor kosten van het geding voor het Hof van Cassatie en de som van 460.000 BEF voor zijn kosten van vertegenwoordiging voor de Commissie en vervolgens voor het Hof, waarvan de verzoeker heeft aangetoond dat hij ze heeft gedragen door een ereloonnota voor te leggen (zie met name het arrest Zimmermann en Steiner t. Zwitserland van 13 juli 1983, serie A nr. 66, p. 14, § 36).
3. De erfgenamen van de Heer Stalport
174. De echtgenote en de dochters van de Heer Stalport vorderen de betaling van 687.040 BEF voor de kosten van het geding voor de organen van het Verdrag en 872.600 BEF voor kosten en erelonen voor het Hof van Cassatie.
175. De Regering erkent dat sommige door de verzoeker gevorderde bedragen althans gedeeltelijk betrekking hebben op de door de verzoeker ingezette middelen om het Verdrag voor de nationale rechtscolleges te doen naleven. De erfgenamen van de Heer Stalport zijn evenwel in gebreke gebleven een dergelijk verband aan te tonen voor een substantieel gedeelte van de kosten die zij beweren te hebben moeten aangaan voor het Hof van Cassatie. In haar nota betreffende de billijke genoegdoening van 29 juli 1999 heeft de Regering eveneens betoogd dat zij niet gerechtigd waren de terugbetaling te vorderen van 400.000 BEF wegens kosten van het geding aangegaan voor de organen van het Verdrag bij ontstentenis van bewijs dat het overige gedeelte van de gevorderde som daadwerkelijk was aangegaan. Zij doet ook gelden dat het gebrek aan precisering van de vordering en aan bewijsstukken het niet mogelijk maken het onderwerp en de gegrondheid alsmede het redelijke karakter van de gevorderde sommen te beoordelen.
176. Met verwijzing naar de overwegingen uiteengezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Mazy (paragraaf 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof de som toe van 300.000 BEF voor de kosten van het geding van de Heer Stalport voor het Hof van Cassatie en de som van 460.000 BEF voor de kosten van het geding voor de Commissie en vervolgens voor het Hof, waarvoor een ereloonnota is voorgelegd.
4. De Heer Hermanus
177. De betrokkene vordert de terugbetaling van de som van 264.480 BEF voor kosten en erelonen aangegaan voor de procedure voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, van de som van 1.250.000 BEF voor het geding voor het Hof van Cassatie en de som van 497.547 BEF voor de kosten van het geding voor het Hof en de Commissie, zijnde in totaal 2.012.027 BEF.
178. De Regering is van oordeel dat, vermits niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kosten voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en voor het Hof van Cassatie zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voorkomen of te corrigeren, de vordering op dat punt moet worden verworpen. Wat betreft de kosten voor de rechtspleging voor de organen van het Verdrag, wijst zij erop dat bepaalde verrichtingen die zijn opgenomen in een ereloonnota van 3 januari 1997 er totaal vreemd aan zijn. Wat de andere gevorderde sommen betreft, verklaart zij zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof.
179. Met verwijzing naar de overwegingen uiteengezet bij het onderzoek van de vorderingen van de Heren Coëme en Mazy (paragrafen 170 en 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, wijst het Hof de vordering af met betrekking tot de procedure voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en kent het aan de Heer Hermanus de som toe van 300.000 BEF wegens kosten van het geding voor het Hof van Cassatie. Na het argument van de Regering in aanmerking te hebben genomen volgens hetwelk sommige kosten vreemd zouden zijn aan de procedure voor de organen van het Verdrag, kent zij de som toe van 460.000 BEF voor de kosten aangegaan voor de Commissie en vervolgens voor het Hof.
5. De Heer Javeau
180. De Heer Javeau vordert de terugbetaling van 1.119.270 BEF wegens kosten en honoraria voor het Hof van Cassatie en 573.973 BEF wegens kosten van het geding voor de organen van het Verdrag, waarvan 23.973 BEF de kosten van verschijning ter terechtzitting van 2 maart 1999 vertegenwoordigen.
181. De Regering is van oordeel dat, vermits niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kosten voor het Hof van Cassatie en de erelonen van de vier raadslieden die hem hebben bijgestaan voor dat rechtscollege zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voorkomen of te corrigeren, de vordering op dat punt moet worden verworpen. Hetzelfde geldt voor de kosten en erelonen van zijn drie raadslieden in de procedure in Straatsburg, in zoverre de kosten- en ereloonstaten van die advocaten uitsluitend een totale afrekening bevatten, waarbij geenszins de prestaties worden gepreciseerd waarop zij betrekking hebben en waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten en de erelonen. De kosten verbonden aan de verschijning van 2 maart 1999 worden van hun kant niet betwist.
182. Met verwijzing naar de overwegingen uiteengezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Mazy (paragraaf 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof aan de Heer Javeau de som toe van 300.000 BEf en de som van 460.000 BEF, voor respectievelijk de kosten van het geding voor het Hof van Cassatie en die welke zijn aangegaan voor zijn vertegenwoordiging voor de Commissie en vervolgens voor het Hof.
C. Moratoriuminteresten
183. Volgens de inlichtingen waarover het Hof beschikt, bedraagt de wettelijke interestvoet die in België van toepassing is op de datum van de aanneming van dit arrest, 7 % per jaar.
OM DIE REDENEN,
HET HOF
1. Zegt, met eenparigheid, dat er schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag ten aanzien van de Heer Coëme, in zoverre de ontstentenis van toepassingswet die de procedure van het onderzoek van de gegrondheid van de tegen de ministers gerichte vervolgingen regelt met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, hem een eerlijk proces heeft ontzegd;
2. Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grieven te onderzoeken die in dit verband zijn afgeleid uit de leden 2 en 3 van artikel 6 van het Verdrag;
3. Zegt, met eenparigheid, dat er schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag in zoverre het Hof van Cassatie geen "bij de wet ingestelde" rechterlijke instantie was in de zin van artikel 6 van het Verdrag om de vervolgingen tegen de Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau te onderzoeken;
4. Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken die in dit verband is afgeleid uit artikel 14 van het Verdrag;
5. Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken van de Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau, afgeleid uit de ontstentenis van procedurewet aangenomen met toepassing van artikel 103 van de Grondwet;
6. Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag vanwege de weigering van het Hof van Cassatie om aan het Arbitragehof de prejudiciële vragen voor te leggen met betrekking tot de samenhang en de verlenging van de verjaringstermijn;
7. Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken die is afgeleid uit artikel 13 in verband met de weigering om aan het Arbitragehof de prejudiciële vragen voor te leggen;
8. Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag wat betreft de bewering dat het Hof van Cassatie geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie was;
9. Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag wat betreft het verhoor van de Heer Stalport;
10. Zegt, met eenparigheid, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag wat betreft de duur van de procedure van onderzoek van de vervolgingen gericht tegen de Heer Hermanus;
11. Zegt, met eenparigheid, dat er geen schending was van artikel 7 van het Verdrag;
12. Zegt, met eenparigheid, dat de verwerende Staat binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop het arrest definitief is geworden overeenkomstig artikel 44, lid 2, van het Verdrag, 300.000 (driehonderdduizend) Belgische frank wegens morele schade moet betalen aan de Heer Mazy, aan de Heer Hermanus en aan de Heer Javeau, alsmede aan de erfgenamen van de Heer Stalport;
13. Zegt, met eenparigheid, dat de verwerende Staat binnen dezelfde termijn van drie maanden, wegens kosten van het geding, 400.000 (vierhonderdduizend) Belgische frank moet betalen aan de Heer Coëme en 760.000 (zevenhonderdzestigduizend) Belgische frank aan de Heer Mazy, aan de Heer Hermanus en aan de Heer Javeau, alsmede aan de erfgenamen van de Heer Stalport;
14. Zegt, met eenparigheid, dat die bedragen zullen worden vermeerderd met een gewone interest van 7% per jaar te rekenen vanaf het verstrijken van de voormelde termijn en tot aan de betaling;
15. Verwerpt, met eenparigheid, de vorderingen tot billijke genoegdoening voor het overige.
Gedaan in het Frans, vervolgens uitgesproken ter openbare terechtzitting in het "Palais des Droits de l'Homme" te Straatsburg op 22 juni 2000.
Erik FRIBERGH Christos ROZAKIS
Griffier Voorzitter
Bij dit arrest is gevoegd, overeenkomstig artikel 45, lid 2, van het Verdrag en artikel 74, lid 2, van het reglement, de uiteenzetting van de volgende afzonderlijke meningen:
- overeenstemmende mening van de Heer Conforti;
- gedeeltelijk afwijkende mening van de Heer Lorenzen, waarbij de Heer Rozakis zich aansluit;
- gedeeltelijk overeenstemmende en gedeeltelijk afwijkende mening van de Heer Baka.
C.L.R.
E.F.
OVEREENSTEMMENDE MENING VAN DE HEER CONFORTI, RECHTER
Het enige gedeelte van het arrest waarover ik het niet eens ben met de meerderheid is de redenering die de meerderheid ertoe heeft geleid de positie van de Heer Coëme te onderscheiden van die van de andere verzoekers.
Naar mijn mening is het essentiële element dat de schending van artikel 6 van het Verdrag te dezen inhoudt, zowel wat betreft de op de Heer Coëme toegepaste procedure als wat betreft de toepassing van het beginsel van de samenhang op de andere verzoekers, de ontstentenis, tijdens het verloop van het proces voor het Hof van Cassatie, van een toepassingswet van artikel 103 van de Grondwet.
Het is juist dat, wat de Heer Coëme betreft, artikel 103 reeds voorzag in de bevoegdheid van het Hof van Cassatie. Het is ook juist dat, rekening houdende met de rechtsleer en met de mededelingen gedaan door de procureur-generaal aan de raadslieden van sommige van de verzoekers, dezen konden verwachten dat de gewone strafprocedure op hen zou worden toegepast. In een land met gecodificeerd recht zoals België - waar de procedureregels in wezen tot de bevoegdheid van de wetgever behoren en waar sedert meer dan anderhalve eeuw de Grondwetgever de wetgever uitnodigt om regels aan te nemen die moeten worden gevolgd voor de inbeschuldigingstelling en berechting van de ministers - kan men echter niet concluderen dat de procedure bij wet was ingesteld. Zeggen dat, voor de Heer Coëme, het enkel ging om een kwestie van wapengelijkheid en van billijkheid van de procedure, komt erop neer het belangrijkste aspect van de zaak te banaliseren.
Het weze duidelijk dat ik hiermee niet wil zeggen dat als dusdanig het Hof van Cassatie van België, waarvoor ik alle respect heb, geen bij de wet ingestelde rechterlijke instantie is. Het ligt voor de hand dat de voorwaarde "ingesteld bij de wet", opgelegd door artikel 6, lid 1, niet is vervuld wanneer, ofschoon de rechtbank op wettige wijze is samengesteld, de procedureregels die op een concreet geval moeten worden toegepast niet zijn bepaald bij de wet, zoals ons Hof heeft vastgesteld met betrekking tot de samenhang.
Tot besluit meen ik dat, evenmin als de andere verzoekers die werden berecht krachtens het beginsel van de samenhang, de Heer Coëme ook niet is berecht door een rechterlijke instantie ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6.
GEDEELTELIJK AFWIJKENDE MENING VAN DE HEER LORENZEN, RECHTER, WAARBIJ DE HEER ROZAKIS, RECHTER, ZICH AANSLUIT
(Vertaling)
Ik sluit mij aan bij de vaststelling van de meerderheid vermeld in paragraaf 108 van het arrest: aangezien in de samenhang niet was voorzien bij de wet, was het Hof van Cassatie geen "bij wet ingestelde" rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 om de vervolgingen tegen de Heer Mazy, de Heer Stalport, de Heer Hermanus en de Heer Javeau te onderzoeken.
Het Hof heeft in een zeker aantal arresten geoordeeld dat wanneer een schending van artikel 6, lid 1, wordt vastgesteld om reden dat een rechtbank niet onafhankelijk en onpartijdig was, het niet nodig was andere grieven te onderzoeken die zijn afgeleid uit artikel 6 met betrekking tot de procedure gevolgd voor de rechtbank in kwestie (zie bijvoorbeeld de arresten Findlay t. Verenigd Koninkrijk van 25 februari 1997, Recueil des arrêts et décisions 1997-I, pp. 282-283, § 80, en Incal t. Turkije van 9 juni 1998, Recueil 1998-IV, p. 1573, § 74).
Die rechtspraak is a fortiori van toepassing, naar mijn mening, op de situatie waarin een schending van artikel 6, lid 1, wordt vastgesteld om reden dat de rechtbank niet de voorwaarden vervulde om geacht te worden te zijn "ingesteld bij de wet". Bijgevolg ben ik van mening dat het niet nodig was de beweringen van schending van artikel 6, lid 1, te onderzoeken welke zijn vermeld in de afdelingen I. B. (prejudiciële vragen aan het Arbitragehof), I. C. (vraag of het Hof van Cassatie een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie was) en I. D. (vraag of het gebruik als bewijs van het verhoor van de Heer Stalport van 16 maart 1994 inbreuk heeft gemaakt op het recht van laatstgenoemde op een eerlijk proces). De grief van de Heer Hermanus met betrekking tot de duur van de rechtspleging werpt anderzijds een vraag op die niet is gedekt door de vaststelling volgens welke het Hof van Cassatie te dezen niet kon worden beschouwd als zijnde "ingesteld bij de wet". Evenwel meen ik eveneens, om de redenen uiteengezet in het arrest, dat er in dit opzicht geen schending is geweest van artikel 6, lid 1.
GEDEELTELIJK OVEREENSTEMMENDE EN GEDEELTELIJK AFWIJKENDE MENING VAN DE HEER BAKA, RECHTER
(Vertaling)
Ik sluit mij volledig aan bij de overeenstemmende mening van de Heer Conforti volgens welke de procedureregels die door het Hof van Cassatie in België moesten worden toegepast, te dezen niet waren vastgesteld. Ik meen eveneens dat, vanwege deze procedurefout, de Heer Coëme niet is berecht door een rechterlijke instantie ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6, lid 1. Zijn positie in dit verband was niet onderscheiden van die van de andere verzoekers.
Ik sluit mij echter eveneens aan bij de afwijkende mening van de Heer Lorenzen, waarbij de Heer Rozakis zich heeft aangesloten. Wanneer het Hof oordeelt dat een nationale rechtbank niet kan worden geacht te zijn ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6, lid 1, hetzij omdat die rechtbank niet wettig was samengesteld, hetzij - zoals te dezen het geval is - omdat de procedure voor die rechtbank niet is vastgesteld, houdt die vaststelling een vrijstelling in om de andere grieven afgeleid uit artikel 6, lid 1, verder te onderzoeken. Dit is de reden waarom ik tegen de meerderheid heb gestemd met betrekking tot de punten 6, 8 en 9 van het beschikkend gedeelte van het arrest.
Voor eensluidende vertaling
"NE VARIETUR"
van het Frans in het Nederlands,
getrouw, oprecht en volledig.
Brussel, 18 septembre 2000