RAAD VAN EUROPA
 
 
EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS
 
 
 
 
      TWEEDE AFDELING
 
 
 
 
 
 
ZAAK COEME EN ANDEREN t/ BELGIE
 
(Verzoekschriften nrs. 32492/96, 32547/96,
   32548/96, 333209/96 en 33210/96)
 
 
 
 
      ARREST
 
 
 
 
STRAATSBURG
 
22 juni 2000
 
 
 
 
 
 
 
Dit arrest wordt definitief onder de voorwaarden be­paald in artikel 44, lid 2, van het Verdrag.
 
 
 

      In zake Coëme en anderen t/België,

      Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (tweede afdeling) zitting houdende in een kamer samen­gesteld uit:

      de Heren C.L. ROZAKIS, voorzitter,

            A.B. BAKA,

            B. CONFORTI,

      Mevrouw F. TULKENS,

      de Heer P. LORENZEN,

      Mevrouw M. TSATSA-NIKOLOVSKA

      de Heer E. LEVITS, rechters,

       en de Heer E. FRIBERGH, afdelingsgriffier,

      Na beraad in de raadkamer op 30 maart, 6 april en 30 mei 2000,

      Wijst het hierna volgende arrest, aangenomen op de laatstgenoemde datum:

 

 

RECHTSPLEGING

 

      1. Aan de oorsprong van de zaak liggen vijf ver­zoek­schriften (nrs. 32492/96, 32547/96, 32548/96, 33209/96 en 33210/96), gericht tegen het Koninkrijk België, waarbij vijf onderdanen van die Staat de zaak aanhangig hadden gemaakt bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens ("de Commis­sie"), krach­tens het vroegere artikel 25 van het Verdrag tot be­scherming van de rechten van de mens en de fundamente­le vrijheden ("het Verdrag").

      Het eerste van die verzoekschriften is neerge­legd door de Heer Guy Coëme op 23 juli 1996 en is geregis­treerd op 2 augus­tus 1996 onder het dossiernum­mer 32492/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegen­woor­digd door Mr. P. Lambert, advocaat bij de balie te Brussel.

      Het tweede verzoekschrift is neerge­legd door de Heer Jean-Louis Mazy op 1 augustus 1966 en is gere­gis­treerd op 7 augustus 1996 onder het dossiernum­mer 32547/96. Voor het Hof is de verzoeker vertegen­woor­digd door Mr. O. Klees, advocaat bij de balie te Brus­sel.

      Het derde verzoekschrift is oorspronkelijk neer­ge­legd door de Heer Jean-Louis Stalport op 5 augustus 1966 en is gere­gis­treerd op 7 augustus 1996 onder het dossiernum­mer 32548/96. De Heer Stalport is overleden op 7 mei 1997. Bij een brief van 4 juli 1997 hebben zijn echtgenote en zijn doch­ters - alle drie van Bel­gische nationaliteit en respectieve­lijk geboren in 1951, 1976 en 1979, die zijn enige erfgenamen zijn - hun intentie te kennen gegeven om de procedure voort te zetten en te worden vertegen­woor­digd door de raads­lieden gekozen door hun echtgenoot en vader: Mr. J. Cruyplants, Mr. R. De Baerdemaeker en Mr. O. Louppe, advocaten bij de balie te Brus­sel.

      Het vierde verzoek­schrift is neerge­legd door de Heer Auguste Merry Hermanus op 8 augustus 1966 en is gere­gis­treerd op 27 september 1996 onder het dossier­num­mer 33209/96. Voor het Hof is de verzoeker verte­gen­woor­digd door Mr. N. Cahen, Mr. F. Maussion en Mr. R. de Béco, advocaten bij de balie te Brus­sel.

      Het vijfde verzoek­schrift is neerge­legd door de Heer Camille Javeau op 31 juli 1996 en is gere­gis­treerd op 27 september 1996 onder het dossier­num­mer 33210/96. Voor het Hof is de verzoeker verte­gen­woor­digd door Mr. T. Delahaye, Mr. P. Mayence, Mr. M.-F. Dubuffet en Mr. P. Erkes, advo­caten bij de balie te Brus­sel.

      De Belgische Regering ("de Regering") was verte­genwoor­digd door haar agent, de Heer C. Debrulle, directeur-generaal bij het Ministerie van Justitie.

      Vanuit de invalshoek van de artikelen 6, 7, 13 en 14 van het Verdrag, klagen de verzoekers over de in België tegen hen ingestelde strafvervolgingen. De Heer Coëme, die minister was toen de in het geding zijnde feiten werden begaan, werd voor het Hof van Cassatie gebracht overeenkomstig artikel 193 van de Grondwet, dat, zoals het luidde vóór de grondwetswijziging van 12 juni 1998, bepaalde dat enkel het Hof van Cas­satie, in verenigde kamers, bevoegd was om ministers te berechten. De overige verzoekers werden voor dat rechtscollege gebracht vanwege de banden van samenhang die bestonden tussen de feiten die hun werden verweten en die welke de Heer Coëme werden verweten. Op 5 april 1996 sprak het Hof van Cassatie een veroordelingsar­rest uit ten aanzien van de vijf verzoekers.

      2. Op 7 april 1997 heeft de Commissie beslist de verzoek­schriften ter kennis te brengen van de Rege­ring.

      Wat het eerste verzoekschrift betreft, heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grief betreffende de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grieven gegrond op het feit dat dit rechtscollege, door toepassing te maken van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 de­cember 1993, terugwerkende kracht zou hebben toegeschreven aan artikel 103 van de Grondwet, zoals gewijzigd op 5 mei 1993, en haar saisine zou hebben uitgebreid tot  feiten en tenlasteleggingen die niet waren beoogd in de verwijzingsbeslissing van de Kamer van volksverte­genwoordigers. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 12 november 1997.

      In het kader van haar onderzoek van het tweede verzoek­schrift heeft de Commissie de Regering uitgeno­digd haar opmer­kingen naar voren te brengen ten aan­zien van de grieven met betrekking tot de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minis­ter heeft uit­geoefend alsmede met betrekking tot de toepas­singswet die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassa­tie regelt, en met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en facili­teiten zou hebben beschikt voor de voorbereiding van zijn verweer, alsme­de met betrekking tot de grief welke is gegrond op de weige­ring om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen. De Regering heeft haar opmerkingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 5 november 1997.

      Voor het derde verzoekschrift heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en met be­trekking tot de ontstente­nis van toepassingswetten die de procedure van onder­zoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en faciliteiten zou hebben beschikt om zijn verweer voor te bereiden. De Regering werd eveneens uitgenodigd haar opmerkingen te kennen te geven over de grie­ven volgens welke het Hof van Cassatie had geweigerd een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen en sommige verklaringen die door de verzoeker waren afgelegd tijdens zijn verhoor van 16 maart 1994 in aanmerking zou hebben genomen, als bekentenis. De Regering heeft haar opmer­kingen voorgelegd op 25 september 1997 en de erfgena­men van de verzoeker hebben erop geantwoord op 19 december 1997.

      Wat het vierde verzoekschrift betreft, heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmerkingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de verwijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en met be­trek­king tot de ontstente­nis van toepassingswetten die de procedure van onder­zoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede betreffende die welke zijn genomen op het feit dat dit Rechtscollege toepassing heeft ge­maakt van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 de­cember 1993, dat het heeft geweigerd een prejudi­ciële vraag aan het Arbitragehof voor te leggen en dat het zich niet binnen een redelijke termijn zou hebben uitgespro­ken. De Regering heeft haar opmer­kingen voor­gelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 19 december 1997.

      Met betrekking tot het vijfde verzoekschrift heeft de Commissie de Regering uitgenodigd haar opmer­kingen naar voren te brengen met betrekking tot de grieven betreffende de ver­wijzing van de verzoeker naar het Hof van Cassatie ondanks het feit dat hij nooit de functie van minister heeft uitgeoefend, en betreffende de ontstentenis van toepassingswetten die de procedure van onderzoek door het Hof van Cassatie regelen, alsmede met betrekking tot de grief volgens welke de verzoeker niet over de nodige tijd en facili­teiten zou hebben beschikt om zijn verweer voor te bereiden en met betrekking tot de grief die gegrond op de weigering van een prejudiciële vraag aan het Arbi­tragehof voor te leggen. De Regering heeft haar opmer­kingen voorgelegd op 25 september 1997 en de verzoeker heeft erop geantwoord op 19 december 1997.

      3. Ten gevolge van de inwerkingtreding van het Protocol nr. 11 bij het Verdrag op 1 november 1998, en overeenkomstig artikel 5, lid 2, van dat Protocol, wordt de zaak onderzocht door het Hof.

      4. Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het reglement van het Hof ("het reglement"), heeft de voorzitter van het Hof, de Heer L. Wildhaber, de zaak toegewezen aan de tweede afde­ling. De kamer samenge­steld binnen die afdeling omvatte van rechtswege Me­vrouw F. Tulkens, rechter verkozen voor België (arti­kelen 27, lid 2, van het Verdrag en 26, lid 1, onder a) van het reglement), en de Heer C.L. Rozakis, voor­zitter van de afdeling (artikel 26, lid 1, onder a) van het reglement). De overige leden aangewezen door laatstgenoemde om de kamer aan te vullen, waren de Heer B. Conforti, de Heer P. Lorenzen, Mevrouw M. Tsatsa-Nikolovska, de Heer A.B. Baka en de Heer E. Levits (artikel 16, lid 1, onder b) van het regle­ment).

      5. Op 8 december 1998 heeft de kamer beslist de verzoek­schriften samen te voegen (artikel 43, lid 1, van het regle­ment). Zij heeft vervolgens beslist de partijen uit te nodigen haar in de loop van een te­rechtzitting mondeling opmerkingen voor te leggen ten aanzien van de ontvankelijkheid en ten gronde met betrekking van sommige in de verzoekschriften aange­voerde grieven.

      6. Zoals daartoe was beslist door de voorzitter van de kamer, werden de debatten gehouden in het open­baar op 2 maart 1999, in het "Palais des Droits de l'Homme" te Straatsburg.

 

      Zijn verschenen:

 

-     voor de Regering

de Heer J. LATHOUWERS, adjunct-adviseur, diensthoofd bij het Ministerie van Justitie afgevaardigde van de agent,                       

      Mr. F. HERBERT,

      Mr. F. DE VISSCHER, advocaten bij de

      balie te Brussel,      raadslieden;

 

-     voor de verzoekers,

 

      (voor de Heer Coëme)

      Mr. P. LAMBERT, advocaat bij de

      balie te Brussel,      raadsman,

      de Heer M. VERDUSSEN, professor aan

      de "Université catholique de

      Louvain,      adviseur,

 

      (voor de Heer Mazy)

      Mr. O. KLEES, advocaat bij de balie

      te Brussel,      raadsman,

 

      (voor de erfgenamen van de Heer

      Stalport)

      Mr. J. CRUYPLANTS,

      Mr. R. DE BAERDEMAEKER,

      Mr. O. LOUPPE, advocaten bij de

      balie te Brussel,      raadslieden,

 

      (voor de Heer Hermanus)

      Mr. N. CAHEN,

      Mr. R. DE BECO, advocaten bij de

      balie te Brussel      raadslieden,

 

      (voor de Heer Javeau)

      Mr. M.-F. DUBUFFET,

      Mr. P. ERKES, advocaten bij de

      balie te Brussel,      raadslieden.

 

      Het Hof heeft Mr. de Visscher, Mr. Klees, de Heer Verdus­sen, Mr. Lambert, Mr. Cahen, Mr. Erkes, Mr. Dubuffet en Mr. Cruyplants gehoord in hun verklarin­gen.

      7. Na afloop van het beraad, gehouden na de te­rechtzit­ting van 2 maart 1999, heeft de kamer de ver­zoekschriften ontvankelijk verklaard ten aanzien van de grieven met betrek­king tot:

      - de ontstentenis van toepassingswetten die de pro­cedure van onderzoek regelen van de gegrondheid van de vervolgingen gericht tegen de ministers met toepassing van artikel 103 van de Grondwet en met betrekking tot de moeilijkheden die daaruit zijn voortgevloeid voor het organiseren van het verweer van de verzoekers,

      - de toepassing van artikel 21 van de wet van 17 april 1978, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 decem­ber 1993,

      - de verwijzing naar het Hof van Cassatie van de vier verzoekers die nooit de functie van minister hebben uitgeoe­fend,

      - de weigering van het Hof van Cassatie om aan het Arbi­tragehof prejudiciële vragen voor te leggen met betrekking tot de samenhang en de verlenging van de verjaringstermijn,

      - de omstandigheid dat het Hof van Cassatie som­mige verklaringen afgelegd door de Heer Stalport tij­dens zijn verhoor van 16 maart 1994 als getuige, in aanmerking zou hebben genomen als bekentenis,

      - de beweerdelijk buitensporige duur van de ver­volgingen gericht tegen de Heer Hermanus,

      - het feit dat het Hof van Cassatie structureel en tradi­tioneel onderworpen zou zijn aan de invloed van zijn openbaar ministerie.

      8. Op 24 maart 1999 werd van de tekst van de beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid kennis gegeven aan de partijen. Deze werden eveneens uitge­nodigd opmerkingen te kennen te geven ten aanzien van de grief volgens welke het Hof van Cassatie structu­reel en traditioneel onderworpen zou zijn aan de in­vloed van zijn openbaar ministerie, opgeworpen in de verzoekschriften nrs. 32547/96 en 32548/96. Zij werden ook ingelicht over de mogelijkheid om andere opmerkin­gen over de grond van de zaak voor te leggen. De ver­zoekers werden boven­dien uitgenodigd preciseringen te verschaffen ten aanzien van hun vorderingen tot bil­lijke genoegdoening (artikel 60, lid 2, van het regle­ment).

      9. De verzoekers hebben hun opmerkingen over de grond van de zaak voorgelegd op 4 mei 1999 en de Rege­ring heeft de hare voorgelegd op 21 mei 1999. De ver­zoekers hebben aanvullende opmerkingen voorgelegd op 9 juli 1999. Nota's met betrekking tot de billijke ge­noegdoening werden neergelegd op 11 mei (verzoek­schrift nr. 32492/96), op 21 mei 1999 (verzoekschrif­ten nrs. 32547/96, 32548/96 en 33209/96) en op 25 mei 1999 (verzoekschrift nr. 33210/96). De Regering heeft erop geant­woord op 29 juli 1999.

 

 

IN FEITE

 

I.    DE OMSTANDIGHEDEN VAN DE ZAAK

 

      10. De Heer Coëme, Belgisch onderdaan, geboren in 1948, is oud-lid van de Kamer van volksvertegenwoordi­gers en oud-minister.

      De Heer Mazy, Belgisch onderdaan, geboren in 1955, is economist.

      Het verzoekschrift nr. 32548/96 is oorspronkelijk inge­diend door de Heer Stalport, Belgisch onderdaan, geboren in 1950, die op dat ogenblik de functie uitoe­fende van admini­strateur-generaal van de "Radio-Télévision belge". Na het overlijden van de Heer Stal­port op 7 mei 1997 hebben zijn echtgenote en zijn dochters hun intentie uitgedrukt om de procedure voort te zetten, bij brief van 4 juli 1997.

      De Heer Hermanus is Belgisch onderdaan, geboren in 1944. Als overheidsambtenaar was hij van 1983 tot 1986 schepen van de gemeente Jette en van 1989 tot 1996 voorzitter van de Geweste­lijke Ontwikkelingsmaat­schappij voor het arrondissement Brus­sel-Hoofdstad (GOMB).

      De Heer Javeau, Belgisch onderdaan, geboren in 1943, is psycholoog.

      11. In 1984 werd de Heer Javeau, bediende van de vereni­ging "U", benoemd tot directeur van die vereni­ging. Het maat­schappelijk doel van die vereniging bestond in de verwezenlij­king van marktstudies en opiniepeilingen alsmede in de creatie en ontwikkeling van computerprogrammatuur. De marktstudies werden met name besteld en betaald door derden zowel uit de privé-sector als uit de openbare sector (Staat, open­bare instellingen, politieke partijen enz.). De ver­eniging verwe­zenlijkte eveneens marktstudies en opi­niepeilingen op eigen initiatief. Op 22 augustus 1989 werd de Heer Javeau om drin­gende reden ontslagen, terwijl hij zich in de Verenigde Staten bevond.

      12. Op 25 augustus 1989 werd de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel belast met een onder­zoek met betrekking tot sommige activi­teiten van de vereniging "U".

      13. Op 26 augustus 1989 werd de Heer Javeau bij zijn terugkeer uit de Verenigde Staten in voorlopige hechtenis genomen. Hij werd ervan verdacht door middel van valsheid in geschriften de prijs van onderzoeks­overeenkomsten afgesloten door de vereniging "U", met name met de Belgische Staat, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap, overgefactureerd te hebben. Hij zou persoonlijk hebben geprofiteerd en derden ertoe in staat gesteld te profiteren van de aldus aan de ver­eniging gestorte meerprijs. Onder de personen die voordeel zouden hebben gehaald uit die verrichtingen, bevonden zich personaliteiten uit de politieke wereld.

      14. In oktober 1989 werd V. gedelegeerd bestuur­der van de vereniging "U", eveneens in voorlopige hechtenis genomen; hij werd in november 1989, het zoals de Heer Javeau, in vrijheid gesteld.

      15. Op 28 augustus 1989 diende de Heer Hermanus klacht in tegen X in verband met "lasterlijke geruch­ten die [werden verspreid over hem], in verband met het ontslag van de Heer C. Javeau". In die klacht gaf hij uitvoerig uitslag over twee studies die hij aan de vereniging "U" had toevertrouwd in zijn hoedanigheid van secretaris-generaal van de minister van de Franse Gemeenschap van België. Die studies, waarvan er één niet zou zijn verwezenlijkt, werden toevertrouwd aan de ver­eniging "U", op basis van twee overeenkomsten gedateerd van respectievelijk 16 en 27 november 1987, waarvan de facturen door de Franse Gemeenschap werden betaald op 20 januari en 29 februari 1988.

      16. In het kader van de vervolgingen die met name tegen de Heer Javeau werden ingesteld, heeft de onder­zoeksrechter een gerechtelijk deskundige aangewezen teneinde het opgezette mechanisme bij te werken en de verantwoordelijken alsmede de begunstigden ervan te bepalen. De deskundige werd met name ermee belast de staat van de boekhouding van de vereniging te be­schrijven, haar jaarrekeningen te bestuderen, te bepa­len in welke mate deze al dan niet een activiteit van commerciële aard zou hebben, de stukken te individua­liseren die van vals­heid moeten worden beticht, en alle elementen van frauduleuze aard aan te geven bin­nen de perken van de vorderingen van het in onderzoek stellen en van eventuele bijkomende vorderingen.

      17. De deskundige legde in december 1989 een voorlopig verslag neer.

      18. Ingevolge de vorderingen werden door de on­derzoeks­rechter bijkomende deskundigenverslagen ge­vraagd. Een daarvan werd neergelegd in 1990.

      19. Op 28 augustus 1991 werden huiszoekingen verricht op de woonplaats van de Heer Hermanus en op zijn kantoren van schepen in Jette.

      20. Op 10 juni 1992 werd de Heer Hermanus gehoord door het Hoog Comité van Toezicht (een onafhankelijk orgaan belast met het opsporen van fraude of misdrij­ven begaan ter gelegen­heid van de werking van openbare diensten, het verrichten van controles met betrekking tot overheidsopdrachten en het ver­richten van verifi­caties met betrekking tot overheidssubsi­dies). Een proces-verbaal nr. 2337 werd naar aanleiding hier­van opgemaakt. De Heer Hermanus werd door het Comité in 1992 en 1993 nog meermaals gehoord.

      21. Op 8 juni 1993 heeft een enquêteur van het Hoog Comité van Toezicht de Heer Javeau ondervraagd over bepaalde contracten afgesloten door de vereniging "U" et met name drie overeenkomsten van 1.200.000 Belgische frank (BEF), elk onder­tekend door de minis­ter M. en met betrekking tot:

      - de exportgerichte Brusselse ondernemingen,

      - de Brusselse ondernemingen die in onderaanne­ming wer­ken,

      - de door het Brusselse Gewest gesteunde onderne­mingen (onder de dossiers IN B/40, B/50 en B/60).

      Hem werd met name gevraagd of men "in feite niet alles had weggehaald" alvorens de minister M. het Brusselse Gewest heeft verlaten en of men niet een voorstudie had opgesplitst in drie overeenkomsten, teneinde de controle door de inspec­teur van financiën te omzeilen.

      Volgens het proces-verbaal van verhoor antwoordde de Heer Javeau hierop in de volgende bewoordingen:

 

      "Ja, er werden inderdaad contracten afgesloten aan het einde van het mandaat van minister M. met het Brusselse Gewest, zoals ik U zopas heb uit­eengezet, maar wat be­treft de opsplitsing van de opdracht in drie contracten, denk ik dat het enkel was om tijd te winnen. Er moest immers een nieuwe minister-voorzitter worden geïnstal­leerd en een andere procedure zou aanleiding hebben gegeven tot bijkomende termijnen. Indien met het contract niet zou hebben opgesplitst, zou het immers noodzakelijk zijn geweest te passeren via het advies van de inspecteur van financiën en, in geval van ongunstig advies, had men tot bij de ministerraad moeten gaan, en dit voor een over­eenkomst die M. bewust wilde aanvaarden op welk niveau van de procedure dan ook."

 

      22. Het eindverslag van de deskundigen bevat zes boekde­len, die werden neergelegd tussen december 1993 en maart 1994.

      23. Verslagen betreffende de aanvragen voor bij­komende deskundigenonderzoeken werden nog neergelegd in januari en februari 1995.

      24. Op 2 februari 1994 beschuldigde de onder­zoeksrechter de Heer Hermanus van misbruik van ver­trouwen, oplichtingen, valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, alsmede van omkoping van een ambtenaar.

      25. Uit het onderzoek bleken aanwijzingen naar voren te komen van misdrijven ten laste van personali­teiten beschermd door ministeriële of parlementaire onschendbaarheden ten aanzien waarvan geen daden van vervolging of onderzoek konden worden gesteld tenzij onder de voorwaarden waarin is voorzien bij artikel 59 (lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat), 103 (ministers) of 120 (leden van de ge­meenschaps- en gewestraden) van de Grondwet, zodat de onder­zoekende magistraat intussentijd zijn dossier mededeelde aan het parket van het Hof van Beroep te Brussel op 7 februari 1994.

      26. De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel overwoog dat inderdaad aanwijzingen van misdrijf ten laste bleken te kunnen gelegd van elf politieke personalitei­ten beschermd door ministeriële of parlementaire onschendbaar­heden, onder wie de Heer Coëme en minister M.

      27. Op 16 maart 1994 werd de Heer Stalport ge­hoord in zijn hoedanigheid van voormalig kabinetschef van minister M., door twee ambtenaren van de dienst enquêtes van het Hoog Comité van Toezicht, handelend ter uitvoering van taken voor­geschreven door de onder­zoeksrechter belast met de vervolgin­gen ingesteld tegen de Heer Javeau. Dat verhoor was in wezen gewijd aan de relaties tussen de Heer Javeau en het kabinet van minister M. en aan de werking van het kabinet. Het had met name betrekking op drie overeenkomsten geda­teerd van 15 juni 1989 afgesloten tussen het Brusselse Gewest en de vereniging "U". Het proces-verbaal van dat verhoor geeft dit aspect van het verhoor in de volgende bewoordingen weer:

 

            "V [Vraag]: Op 17.05.89 heeft de Heer Javeau aan het kabinet een ontwerp van overeenkomst overge­zonden met betrekking tot een voorontwerp te verwezenlijken bij Brusselse KMO's voor een be­drag van 4.800.000 BEF exclu­sief BTW. De studie moest het mogelijk maken de lijst op te stellen van:

 

      - de exportgerichte ondernemingen;

 

 

      - de ondernemingen die in onderaanneming werken;

 

      - de door het Brusselse Gewest gesteunde onderne­mingen.

 

            Enkele dagen later signaleerde U aan Javeau dat zijn ontwerp van overeenkomst voor onderzoek was overgezonden aan de administratie (bijlagen 116 tot 122 van hetzelfde verslag). Had U in­structies gekregen om in die zin te handelen? Heeft U zich geïnformeerd over de mogelijkheden om een beroep te doen op de concurrentie voor het verwe­zenlij­ken van een dergelijke databank?

 

            A [Antwoord]: Ik had geen enkele instructie in die zin ontvangen. Ten aanzien van de inlich­tingen in te winnen op het vlak van het beroep op de concurrentie, heb ik dit aan de administratie overgelaten om de redenen die ik voorheen reeds heb vermeld.

 

            [...]

 

            V: Welke procedure moet worden gevolgd in geval van ongunstig advies van de inspecteur van fi­nanciën be­tref­fende een project?

 

            A: Ik weet nu dat het mogelijk was zich te wenden tot de Raad van Gewestministers voor arbi­trage; op dat ogenblik kende ik die procedure niet en niemand heeft mij daarover gesproken. Men moet weten dat ik ernaar streefde de dossiers te laten vooruitgaan en dat het advies van de In­spectie van Financiën, te dezen van L., een vrij regle­mentair karakter had, weinig gericht op rendabiliteit. In wezen heb ik mij geërgerd aan de logheid en aan het immobilisme van de Inspec­tie van Financiën. Binnen mijn kabinet werd mij de raad gegeven om op andere wijze te handelen, namelijk door het contract in drie te splitsen, zodat de bedragen lager zouden zijn dan het be­drag van 1.250.000 BEF, zijnde de drempel voor de verplichte tussenkomst van de inspecteur van financiën. Ik wens erop te wijzen dat ondanks die werkwijze, ik het opgesplitste project opnieuw heb voorgelegd aan de inspecteur van financiën die ditmaal een gunstig advies heeft uitge­bracht.

 

            V: U legt ons drie overeenkomsten voor die op 15.06­.89 werden afgesloten tussen het Brussel­se Gewest, verte­genwoordigd door minister M. en de vereniging "U", verte­genwoordigd door Javeau (cfr. bijlagen 100 tot 111 bij het deskundigen­verslag). Elk van die overeenkomsten heeft als onderwerp een voorstudie te verwezenlijken bij Brus­selse KMO's teneinde te bepalen welke ervan geïnteres­seerd zouden zijn om voor te komen in een databank zoals die welke is beschreven in het aanvankelijke project. Elk van die overeenkomsten betreft een van de drie criteria die voorheen zijn vermeld. Zij vertegenwoordigen een totale kostprijs voor de voorstudie van 3.600.000 BEF exclusief BTW, te vergelijken met het aanvanke­lijke project dat een kostprijs vertegenwoordigde van 4.800.000 BEF exclusief BTW. Is die verminde­ring niet het gevolg van de noodzaak om het aan­vankelijke project in 3 te delen, vermits er 3 criteria waren, waarbij tevens zou worden verme­den dat elk van de 3 overeenkomsten meer zou bedragen dan 1.250.000 BEF exclusief BTW, zijnde de drempel voor de tussenkomst van de inspecteur van finan­ciën.

 

            A: Ik wens hier te antwoorden dat ik op­nieuw het advies van de Inspectie van Financiën heb aangevraagd hoewel men zich in elk van die geval­len beneden de drem­pel van 1.250.000 BEF exclu­sief BTW bevond. Ik wens opnieuw erop te wijzen dat de opsplitsing in drie projec­ten heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering, zijnde 25% van de kosten van het totale volume.

 

            V: Toont overigens het feit dat Javeau ermee instemt hetzelfde werk uit te voeren voor 3.600.000 BEF niet aan dat de oorspronkelijke overeenkomst, aanvaard door het kabinet en door de administratie, overgewaardeerd was.

 

            A: De opmerking in verband met de oorspron­kelijke prijs is niet verkeerd, maar het akkoord met betrekking tot 3.600.000 BEF is wellicht het gevolg van een drie- of vierpartijenakkoord tus­sen het kabinet, de administratie, de Inspectie van Financiën en de vereniging "U". Dit is een veronderstelling aangezien ik mij op dit ogenblik niet de precieze details met betrekking tot dit dossier kan herinneren.

 

            [...]

 

            V: U overhandigde ons een vastleggingsbulle­tin met betrekking tot een van de overeenkomsten afgesloten met de vereniging "U" op 15 juni 1989. Dat document draagt de handtekening voor vastleg­ging van de inspecteur van financiën, M. L., op datum van 30 juni 1989. Had M. L. de mogelijkheid om zich te verzetten tegen de uitvoering van die overeenkomst, waarbij zijn advies niet blijkt te zijn aangevraagd vóór de afsluiting van de over­eenkomst?

 

            A: Ik wens hier eraan te herinneren dat ik niet verplicht was het dossier aan L. te zenden, rekening houdende met het bedrag ervan. Maar, aangezien ik meer te maken had met de administratie en met het kabinet, heeft zij automatisch, voor vastlegging, het bulletin ad hoc overgezonden aan de inspecteur van financiën. Volgens mij heeft M.L. wel degelijk de overeenkomst ontvangen voordat zij werd afgesloten.

 

            V: Wij wijzen U erop dat bij de ontvangst van die drie overeenkomsten de administratie slechts een enkel nummer van vastlegging heeft toegekend voor elk van die overeenkomsten (zie bijlagen 130 en 131 van hetzelfde verslag). Wij leggen U een reeks andere documenten voor die aanwijzen dat de administratie ten onrechte heeft gemeend te maken te hebben met een enkel con­tract, in die mate dat wanneer de vereniging "U" haar drie facturen heeft overgezonden met betrek­king tot een gedeeltelijke betaling van elk van de drie overeenkomsten, P. de aan­dacht van Javeau erop heeft gewezen dat hij meende dat er een vergissing was met betrekking tot de vereniging "U". Hij heeft immers drie originele exemplaren gevraagd van hetgeen hij meende een en dezelfde factuur te zijn, die niet drie verschillende nummers konden dragen (zie bijla­gen 130 tot 136 van hetzelfde verslag). L. heeft dus slechts een bulletin met betrekking tot een enkele over­een­komst voor vastlegging kunnen viseren?

 

            A: Ja, dit is zo. Maar dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid. De totaliteit van het beheer van het dossier behoorde tot de bevoegd­heid van de admini­stratie.

 

            [...]

 

            V: Wat betreft de handtekening voor vastleg­ging van de Inspectie van Financiën voor overeen­komsten voor een bedrag dat lager is dan de drem­pel van haar tussenkomst, zou het dan nog moge­lijk zijn dat de inspecteur een opportuniteitsad­vies uitbrengt?

 

            A: Het is juist dat op het vlak van het administra­tief recht zijn visum niet vereist lijkt te zijn voor dergelijke vaststellingen. Niettemin, wat mij betreft, en rekening houdende met mijn gebrek aan ervaring inzake begrotings­techniek, heb ik in alle aangelegenheid de voor­keur eraan gegeven een beroep te doen op het visum van de inspecteur van financiën, waarbij ik ervan uitging dat het aldus voor mij ging om een garantie van wettig­heid uitgaande van de begro­tingsadviseur van de minister. Bijgevolg, indien M. L. uitdrukkelijk had geweigerd het vaststel­lingsbulletin te ondertekenen, zou ik het niet hebben overschreden. U zegt mij dat er een tegen­stelling bestaat tussen hetgeen ik U uitleg en de splitsing van het oorspronkelijke project gewei­gerd door M.L. Ik ant­woord U dat men mij de raad heeft gegeven om aldus te handelen en dat ik ervoor heb gezorgd dat M.L. de drie nieuwe over­eenkomsten zou viseren.

 

            Na gedane lezing, volhardt en tekent met ons."

     

      28. Bij een brief van 75 pagina's, gedateerd van 30 juni 1994, zond de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoor­digers "een dossier waaruit vol­gens [hem] aanwijzingen van misdrijf blijken ten laste van M. [...] Guy Coëme [...] oud-minister". Die brief preciseerde: "Het gaat met namen om feiten van vals­heid in geschriften en gebruik van valse stuk­ken, oplichting, misbruik van vertrouwen en omkoping, als

­mededader, bedoeld bij de artikelen 66, 193, 196, 197, 213, 214, 248, 491 en 496 van het Strafwetboek. Die feiten, die overigens andere kwalificaties kunnen krijgen, [...] zouden zijn begaan op tijdstippen waar­op [hij] ministeriële functies [uitoefende] [...]. Hieruit blijkt dat de bepalingen van artikel 103 van de Grondwet te dezen toepassing kunnen vin­den."

      Na een synthese van de zaak zette het dossier de feiten en aanwijzingen van misdrijf toegeschreven aan de Heer Coëme uiteen, waarbij de periode waarin het misdrijf zou zijn begaan zich uitstrekte van 30 maart 1981 tot 8 december 1989. De brief bracht twee andere ministers of oud-ministers in het geding, alsmede acht andere parlementsleden, waarbij de procu­reur-generaal evenwel ervan uitging, dat, wat zes van hen betrof, de feiten wellicht verjaard zouden zijn.

      De procureur-generaal zette eveneens een algemeen pro­bleem van verjaring van de strafvordering uiteen. Artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993, in werking getreden op 31 december 1993, heeft immers geleid tot een verlenging van de verjaringstermijn van drie tot vijf jaar en, volgens de tekst van die bepa­ling, was de wetswijziging van toepassing op "alle strafvorderingen die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn ontstaan en op die datum nog niet zijn verjaard". De procu­reur-generaal oordeelde aldus: "In deze zaak zijn alle straf­bare feiten, begaan vóór 1 januari 1988, op mijn minst ver­jaard. Voor de feiten van voor die datum begint de eerste verjaringstermijn te lopen, die verstrijkt op 1 januari 1991. De eerste handeling die de verjaring onderbreekt is gesitueerd in augustus 1989, en meer bepaald op 25 augustus 1989, datum waarop de vorderingen tot onderzoek werden ge­richt aan de onderzoeksrechter."

      De procureur-generaal richtte die aanzegging aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers om deze ertoe in staat te stellen "de prerogatieven uit te oefenen die aan haar zijn verleend bij artikel 103 van de Grondwet". Voor zover nodig verzocht hij bovendien om de opheffing van de parlementaire on­schendbaarheid van de drie ministers die in het geding waren gebracht, onder wie de Heer Coëme en minister M.

      29. De Kamer van volksvertegenwoordigers, bijeen­gekomen op 1 juli 1994 in voltallige zitting, stelde volgens de regel van de proportionele vertegenwoordi­ging een bijzondere commis­sie samen. Deze hoorde af­zonderlijk de onderzoeksrechter, de gerechtelijk des­kundige en de Heer Coëme, bijgestaan door zijn advoca­ten.

      Bij beslissingen van 8 juli 1994 gaf de bijzonde­re com­missie aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers de aanbeveling om de verwijzing van de Heer Coëme naar het Hof van Cassatie te gelasten en die verwijzing niet te gelasten voor de twee andere ministers. Wat minister M. betreft, stelde zij:

 

      "De bijzondere commissie, alle andere aangevoerde midde­len afwijzende, beslist de Kamer van volks­vertegenwoordi­gers aan te bevelen te besluiten:

 

      - dat er een aanleiding toe bestaat [minister M.] naar het Hof van Cassatie te verwijzen in het kader van de overeenkomsten in B040, 050 en 060, en

 

      - dat voor de andere feiten, er geen aanleiding bestaat voor de Kamer van volksvertegenwoordigers om zich uit te spreken in het kader van artikel 103 van de Grondwet."

 

      30. De aanbeveling werd in precies dezelfde be­woordingen aangenomen door de Kamer van volksvertegen­woordigers op haar vergadering van 14 juli 1994, met honderdveertig stemmen tegen negenendertig, met twee onthoudingen.

      31. Na de beslissing van de Kamer van volksverte­genwoor­digers meende de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie in het belang van een goede rechtsbede­ling de eerste voorzit­ter van het Hof van Cassatie te moeten vragen dringend een raadsheer bij het Hof aan te wijzen in hoedanigheid van onder­zoekend magistraat, met als opdracht het onderzoek van de feiten te ver­volledigen en voort te zetten, in nauwe samenwer­king met de onderzoeksrechter belast met de zaak.

      32. Bij beschikking van 21 juli 1994 wees de eerste voorzitter, die de verzoeken inwilligende, raads­heer F. aan en gelastte hem met die taak.

      33. Op 9 mei 1995 deelde raadsheer F. de stukken van de rechtspleging aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassa­tie mede met het oog op de vorderingen.

      34. Na de verkiezingen die in april 1995 werden gehouden, oefende de Heer Hermanus, vanaf 6 juni 1995, de functie uit van raadslid in de Brusselse Hoofdste­delijke Raad.

      Op 26 juni 1995 vroeg de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, bij brief gericht aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, "gelet op het voor­schrift van de artike­len 59, derde lid, en 120 van de Grondwet", hem "te laten weten of de Raad [meende] de opschorting te moeten vorderen van de vorderingen die waren ingesteld toen de Heer Hermanus nog niet de functie bekleedde" van hoofdstedelijk raadslid.

      Op 10 juli 1995 besliste de Raad de vervolgingen tegen de Heer Hermanus "toe te staan" voor het onder­zoek van de zaak voor een correctionele kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel en "zijn be­slissing voor te behouden ten aanzien van alle andere vervolgingen tot verder onderzoek, teneinde de ver­enigbaarheid ervan met de uitoefening door de betrok­kene van zijn mandaat te beoordelen".

      Op 25 september 1995 vroeg de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de Brusselse Hoofdste­delijke Raad "de Brusselse Hoofdste­delijke Raad te willen verzoeken binnen de kortste termijn uitspraak te doen over dit verzoek tot machti­ging met het oog op de vervolging van de Heer Hermanus voor het Hof van Cassatie".

      Op advies van zijn vervolgingscommissie besliste de Raad op zijn vergadering van 18 oktober 1995 de gevraagde machti­ging te verlenen, van oordeel zijnde dat "de samenhang [was] vastgesteld bij de beschikking van de raadkamer van de Recht­bank van eerste aanleg te Brussel van 22 september 1995, gewezen na de beslis­sing van de Raad van 10 juli 1995". Hij oordeelde eveneens dat "de vraagstukken betreffende de samen­hang, de evenredigheid van de feiten en de gevolgen van de verwijzing naar het Hof van Cassatie hem van de redelijke duur van het onderzoek van de zaak, onder de beoordeling van de feitenrechter vallen en dat de vervolgingscommissie zich niet uit te spreken heeft".

      35. Inmiddels had de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel immers bij niet op tegen­spraak gewe­zen beschikking van 33 september 1995 een beslissing genomen waarbij de zaak werd onttrokken aan de aangewezen onderzoeks­rechter.

      36. Buiten de Heer Coëme besliste het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie dat hof zeven andere personen te vervolgen, onder wie de vier overi­ge verzoekers. Het oordeelde dat het onderzoek een systeem aan het licht bracht van onwet­tige financie­ring van activiteiten van bepaalde politici. Het be­trof het afsluiten, ten laste van de overheid, van contrac­ten waarvan de prijs overgewaardeerd was ten­einde de medecon­tractant ertoe in staat te stellen aan derden een gedeelte van de prijs over te dragen om de kosten van die activiteiten te dekken. Volgens het openbaar ministerie bestonden de betrokken praktijken erin te onderhandelen en contracten af te sluiten voor diverse studies of peilingen, met name te verwezenlij­ken door de vereniging "U" ten "bate" van ministeries. De in het kader van die contracten toegekende budget­ten waren overge­waardeerd ten opzichte van de reële kostprijs van de uitge­voerde studies en peilingen en ten opzichte van het daarvan te verwachten voordeel. Men zorgde bovendien ervoor te vermijden dat de con­currentie zou spelen waarin is voorzien voor over­heidsopdrachten en die zou hebben willen beletten dat bepaalde opdrachten werden toegewezen aan de vereni­ging "U", en tevens zorgde men ervoor de interne con­troles binnen de administratie te vermijden, met name die van de inspectie van financiën, die het overge­waardeerde karakter van sommige prijzen aan het licht had kunnen brengen. Om dit te doen zorgde men ervoor dat de drempels die de toepassing van de reglemente­ringen en circulaires inzake overheidsopdrachten en procedures van interne controle binnen de administra­tie met zich meebrengen, niet werden bereikt. Het openbaar ministerie verweet ook aan sommige beklaagden (onder wie de Heer Javeau) de frauduleuze terugbeta­ling van sommige onkostennota's. Het oordeelde ten slotte dat twee van de verzoekers, de Heren Stalport en Mazy, hoewel zij niet van die contracten hadden ge­profiteerd, aan de totstandkoming ervan hadden mee­ge­werkt.

      37. Op 3 november 1995 om 11 uur ontving de pro­cureur-generaal bij het Hof van Cassatie de raadslie­den van vijf van de door het onderzoek in het geding gebrachte personen, onder wie de Heren Coëme en Ja­veau, om hen op de hoogte te brengen van de genomen maatregelen voor de organisatie van het proces. De procureur-generaal overhandigde aan de deelnemers van de vergadering een afschrift van de dagvaarding die hij zich voornam te laten betekenen aan hun cliënten. Hij zou hebben voorgesteld een terechtzitting te hou­den begin januari 1996. Na het protest van de advoca­ten zou hij de opening van de debatten hebben ver­plaatst naar 5 februari 1996, ondanks het door de advocaten mondeling geuite voorbehoud ten aanzien van de te korte termijn die hun was toebedeeld om de ver­dediging van hun respectieve cliënten voor te berei­den. Hij zou ook hebben gepreciseerd dat de debatten voor het Hof van Cassatie de gewone correctionele procedure zouden volgen.

      De Heer Stalport werd niet uitgenodigd op die vergade­ring. Hij had verklaard dat hij op dat ogenblik geen advocaat had geraadpleegd aangezien hij meende niet in het geding te zijn gebracht.

      38. Bij deurwaardersexploten betekend tussen 8 en 15 november 1995, werden de acht door het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie in het geding gebrachte personen gedag­vaard om voor dat Hof te ver­schijnen op 5 februari 1996, om er te antwoorden op verschillende tenlasteleggingen gesitueerd in het kader van het afsluiten van overheidsopdrachten toe­ver­trouwd aan de vereniging "U", toen de Heer Coëme lid van de regering was.

      Enkel de Heer Coëme was getroffen door artikel 103 van de Grondwet; de overige verdachten waren uit­genodigd te verschij­nen op grond van de artikelen 126 en 227 van het Wetboek van Strafvordering, vanwege de samenhang tussen de aan hen verwe­ten feiten en die welke aan de Heer Coëme waren toegeschreven.

      39. Bij deurwaardersexploot betekend op 10 no­vember 1995, werd de Heer Stalport uitgenodigd te verschijnen voor het Hof van Cassatie wegens de ten­lasteleggingen van valsheid in geschriften, omkoping van een ambtenaar en oplichting, begaan in het kader van het afsluiten van overheidsopdrachten waarbij hij betrokken was in zijn hoedanigheid van kabinets­chef van minister M., die niet naar het Hof van Cassatie was verwe­zen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. In de dagvaar­ding werden de hem ten laste gelegde feiten, als volgt gepre­ciseerd:

 

            "A. De eerste (Coëme), de tweede (Javeau), de derde (V.), de vierde (Hermanus), de vijfde (Stalport), de zesde (H.) en de zevende (Mazy)

 

            als ambtenaar of openbaar officier of in samenwer­king met een ambtenaar of een openbaar officier,

 

            met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, bij het opmaken van akten van hun ambt, het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst, hetzij door andere overeenkom­sten te schrijven dan die welke de partijen heb­ben opgegeven of gedicteerd, hetzij door als waar op te nemen, feiten die het niet waren, inzonder­heid:

 

            [...]

 

            3) wat de tweede (Javeau) en de vijfde (Stalport) betreft:

 

            de vijfde wordt ervan verdacht in de hoedanigheid van kabinetschef van de minister van het Brusselse Ge­west, met bedrieglijk opzet om bij de toewijzing van een overeenkomst de op de overeen­komsten met de overheid toepasselijke regels en procedures te omzeilen, en meer bepaald met het opzet om zich aan de controle van de inspectie van Financiën te onttrekken, een overeenkomst waarover de inspectie van Financiën een ongunstig advies had uitgebracht, te hebben vervangen of doen vervangen door drie overeenkomsten d.d. 15 juni 1989, elk voor een lager bedrag dan voor het optreden van de inspectie van Financiën vereist is, maar die tezamen betrekking hadden op dezelf­de aangelegenheid als de afgewezen overeenkomst, te dezen inzonderheid, een studie voor de kleine en middelgrote ondernemingen;

 

            (overeenkomsten IN B 040, B 050 en B 060 - zie met name: RE, T. IV, p. 13 tot 19 en bijlagen 100 tot 111; C 5, f 2, p. 179; C 12, f 5, p. 2 en 4)."

 

      40. Op 18 januari 1996 richtten de raadslieden van diver­se beklaagden tot het Hof van Cassatie een ver­zoek tot verda­ging van de zaak naar een latere te­rechtzitting, waarbij zij deden gelden dat het hun ondanks al hun inspanningen onmoge­lijk was de voorbe­reiding van de verdediging van hun cliënten op correc­te wijze te verzekeren.

      41. Bij de opening van de terechtzitting van 5 februari 1996 kondigde de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie aan dat het onderzoek zou geschieden overeenkomstig de bepa­lingen van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering.

      De terechtzitting werd gewijd aan een verzoek tot verda­ging van de debatten, geformuleerd door verschei­dene beklaag­den, teneinde te beschikken over de nodige tijd om hun verde­diging te verzekeren met inachtneming van hun rechten. Die personen legden te dien einde conclusies neer. Bij een tussen­arrest van 6 februari 1996 oordeelde het Hof van Cassatie dat die beklaagden over de nodige tijd hadden beschikt om hun verdediging voor te bereiden, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk vlak.

      42. Op de terechtzitting van 6 februari 1996 legde de Heer Coëme eerste conclusies neer met betrek­king tot de ont­stentenis van een wet ter uitvoering van artikel 103 van de Grondwet, ondanks de uitdrukke­lijke wil die door het Nationaal Congres te kennen was gegeven. Die tekortkoming van de wetge­ver had de als overgangsbepaling opgevatte bepaling laten voortbe­staan, die door het Nationaal Congres was aangenomen teneinde een juridisch vacuüm op te vullen: artikel 134, eerste lid, van de Grondwet, dat later de over­gangsbepaling van artikel 103 is geworden.

      Hij wees er allereerst op dat, hoewel de grond­wetswijzi­ging van 5 mei 1993 de woorden "met karakte­risering van het misdrijf en bepaling van de straf" vervat in de overgangsbepa­ling van artikel 103 van de Grondwet had vervangen door de woorden "in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwet­ten zijn bepaald", die grondwetswijziging geen terug­werkende kracht kon hebben voor de tegen hen geuite tenlasteleggingen met betrekking tot feiten die gesi­tueerd zijn tussen 29 maart 1981 en 30 november 1990, op straffe van schending van met name artikel 7, lid 1, van het Verdrag.

      Hij voegde eraan toe dat hoewel de overgangsbepa­ling aan het Hof van Cassatie een discretionaire be­voegdheid verleende om de door de Kamer van volksver­tegenwoordigers in beschuldi­ging gestelde ministers te berechten wat betreft hun verant­woordelijkheid en de op te leggen straffen, de bepaling noch aan het Hof van Cassatie noch aan de Kamer van volksvertegen­woor­digers een soortgelijke bevoegdheid verleende met betrek­king tot de wijze waarop tegen hen in rechte wordt opgetreden. Bijgevolg had het Hof van Cassatie zelf, eigenmachtig, de toepasselijke procedureregels vastgesteld, met miskenning van het beginsel van de legaliteit van de rechtspleging van de rechtbank.

      43. Op de terechtzitting van 6 februari 1996 legde de Heer Coëme tweede conclusies neer met betrek­king tot de proce­dure gevolgd door de bijzondere com­missie van de Kamer van volksvertegenwoordigers en met betrekking tot de saisine van het Hof van Cassatie.

      44. Op de terechtzitting van 7 februari 1996 legde de Heer Stalport conclusies neer volgens welke geen enkele bepa­ling van Belgisch recht zijn recht­streekse verwijzing naar het Hof van Cassatie mogelijk maakte. In nieuwe conclusies zette hij bovendien uit­een dat er geen enkele samenhang bestond tussen het hem ten laste gelegde misdrijf en het misdrijf dat de Heer Coëme ten laste werd gelegd. Hij voegde eraan toe dat, mocht het Hof van Cassatie het tegenovergestelde oordelen, het dan aan het Arbitragehof een preju­diciële zou moeten voorleg­gen met betrekking tot de schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie door wettelijke bepalingen die een be­klaagde naar het Hof van Cassatie verwijzen die niet de hoedanigheid van minister heeft. Hij nodigde bijge­volg het Hof uit zich onbevoegd te verklaren om hem te berechten bij ontstentenis van samenhang of, in onder­geschikte orde, aan het Arbitragehof de volgende pre­judiciële vraag te stellen:

 

            "Worden de artikelen 10 en 11 van de Grond­wet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 13 en 147 van het Grondwet, geschonden door de arti­ke­len 226 en 227 van het Wetboek van Strafvorde­ring in zoverre zij tot gevolg hebben dat de berech­ting van een beklaagde die niet de hoeda­nigheid van minister heeft, wordt opgedragen aan het Hof van Cassatie, uitspraak doende ten gron­de?"

 

      45. Ter terechtzitting van 8 februari 1996 legde de Heer Coëme derde conclusies neer waarin hij het Hof van Cassatie verzocht de uitspraak uit te stellen betreffende de gegrond­heid van de vorderingen van het openbaar ministerie, tot het Arbitragehof uitspraak heeft gedaan over de volgende prejudi­ciële vraag:

 

            "Roept de verlenging van de verjaringster­mijn van de strafvordering, voortvloeiende uit artikel 21 van de wet van 17 april 1978 [lees: 1878] houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 25 van de wet van 24 december 1993, in zover­re zij van toepassing zou zijn op alle strafvorderingen die vóór de inwerkingtreding ervan tot stand zijn gekomen en op die datum nog niet zijn verjaard, en langere ter­mijnen invoert, een discriminatie in het leven die strij­dig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, ten opzichte van de situatie van diegenen op wie, afhankelijk van de datum waarop de feiten zijn begaan, de verjarings­termijn van het vroegere voormelde artikel 21 van toepas­sing is?"

 

      46. Aan het begin van de terechtzitting van 12 februari 1996 las de eerste voorzitter het tussenar­rest voor waarbij het Hof verklaarde dat de zaak op regelmatige wijze aanhangig was gemaakt en dat het bevoegd was, en zegde dat er geen aanleiding toe be­stond aan het Arbitragehof door de beklaagden voorge­stelde prejudiciële vragen in verband met de samenhang te stellen. Het Hof motiveerde zijn arrest door erop te wijzen dat "de overgangsbepaling van artikel 103 van de Grondwet [...] van toepassing is zowel op de feiten, die voorafgaan aan de grondwetswijziging van 5 mei 1993 als op de feiten die daarop volgen". Het Hof voegde eraan toe dat de discretionaire bevoegdheid waarover zij beschikte beperkt was vermits zij ver­plicht was bepaalde procedurenormen te volgen, en voegde de volgende overwegingen eraan toe:

 

            "Overwegende dat het Hof, dat verplicht is de zaak te berechten, zich, wat de rechtspleging betreft, dient te gedragen naar de bepalingen met directe werking in de nationale rechtsorde, die vervat zijn in het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamente­le Vrij­heden en in het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten, naar de Grondwet, de regels van het Gerechtelijk Wetboek, de gemeenschappelij­ke bepalingen die van toepas­sing zijn op alle straf­rechtsplegingen, alsook naar de algemene rechtsbeginse­len;

 

            Overwegende dat de Grondwetgever, door het Hof de macht te verlenen om de ministers te berechten 'in de gevallen die in de strafwetten zijn bepaald', noodzake­lijkerwijze, wat de rechtspleging betreft, verwezen heeft naar de door de wetgever voor die gevallen voorgeschreven procedure, namelijk het Wetboek van Strafvorde­ring, voor zover het verenigbaar is met de bepa­lingen die de rechts­pleging regelen voor het Hof van Cassatie, zitting hou­dende met verenigde kamers;

 

            Overwegende dat het Hof, in deze mate, toe­passing maakt van de vormen bepaald in boek II, eerste titel, hoofdstuk II, van het Wetboek van Strafvordering met als opschrift 'correctionele rechtbanken';

 

            Dat die wettelijke, toegankelijke en voor­zienbare regels de volledige uitoefening van het recht van verde­diging en een eerlijk proces waar­borgen;

 

            Dat het Hof door toepassing te maken van de bestaan­de regels, niet als wetgever optreedt."

 

      47. Het Hof sprak zich in de volgende bewoordin­gen uit over de samenhang en de daarop betrekking hebbende prejudiciële vragen:

 

            "Over de samenhang:

 

            Overwegende dat de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering geen uitdrukking zijn van een algemeen rechtsbeginsel, maar regels zijn die gelden voor en toepasselijk zijn op alle strafrechtsplegingen;

 

            Overwegende dat de samenhang niet noodzake­lijkerwij­ze vooraf moet zijn vastgesteld door een onderzoeksge­recht;

 

            Dat de feitenrechter, wanneer hij geadieerd wordt ingevolge een regelmatige verwijzing of een regelmatige rechtstreekse dagvaarding, zelf het bestaan van de samen­hang en derhalve de omvang van de aanhangigmaking en van zijn bevoegdheid i.v.m. de samenhangende misdrijven beoordeelt;

 

            Overwegende dat het bestaan van samenhang tot gevolg heeft dat alle mededaders van of mede­plichtigen aan samenhangende [misdrijven samen door hetzelfde rechtscol­lege worden berecht;] dat bijgevolg, wanneer er een samenhang bestaat tus­sen strafbare feiten die aan een minister worden verweten en feiten die ten laste worden gelegd aan andere justitiabelen, de bevoegdheid die de Grondwet toekent aan het Hof van cassatie, tot gevolg heeft dat alle vervolgingen worden ge­bracht voor dit hoogste rechterlijk orgaan;

 

            Overwegende dat artikel 147 van de grondwet de macht van het Hof afbakent wanneer het uit­spraak doet over de voorzieningen in cassatie;

 

            Dat, gelet op die samenhang, de macht van het Hof om de ministers te berechten ook de macht insluit om andere justitiabelen te berechten voor wie het Hof in dat geval en met uitsluiting van alle andere de rechter is die de wet hen toekent overeenkomstig artikel 13 van de grond­wet;

 

            Overwegende dat de regels van de samenhang, die van algemene toepassing zijn, geen willekeu­rig onderscheid in de behandeling van de vervolg­de personen doen ontstaan in de zin van artikel 14 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden;

 

            Overwegende voor het overige dat het Hof bij het onderzoek van de zaak zelf zal moeten nagaan of er samen­hang bestaat tussen de in de dagvaar­ding vermelde mis­drijven; dat, wat dit betreft, het tussengeschil moet worden behandeld samen met de zaak zelf;

 

            [...]

 

            Wat de discriminatie en de prejudiciële vragen betreft:

 

            Overwegende dat de beklaagden aanvoeren dat, in de mate dat zij volgens de regels inzake samenhang voor het Hof gebracht zijn, zulks aan­leiding geeft tot een bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden discrimina­tie;

 

            Dat zij vorderen dat aan het Arbitragehof prejudi­ciële vragen worden gesteld teneinde door dat Hof te doen zeggen of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden geschonden door de artike­len 226 en 227 van het Wetboek van Strafvorde­ring, in zoverre laatstvermelde artikelen tot gevolg hebben dat een beklaagde die niet de hoeda­nigheid van minister heeft voor het Hof van Cas­satie, uitspraak doende o ver de zaak zelf, wordt gebracht; dat de beklaagde Stalport hetzelfde vordert, met verwijzing naar dezelfde artikelen, samen met de artikelen 12, 13 en 147 van de Grondwet;

 

            Dat bovendien wordt gevorderd dat aan het Arbitrage­hof vragen worden gesteld: door de be­klaagde Javeau over een tegenstrijdigheid tussen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de arti­kelen 226, 227, 479 en 501, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, terwijl door de be­klaagden V., Hermanus en Mazy zulks wordt gevor­derd over de tegenstrijdigheid tussen de voormel­de artikelen 10 en 11 n de artikelen 226, 227, 307 en 501? tweede lid, 526, 540 van het Wetboek van Strafvordering, en 30, 31, 566, 753, 856, 1053, 1084 en 1153 van het Gerechtelijk Wetboek 'in de mate dat die artikelen algemeen rechtsbe­ginselen bekrachtigen op grond waarvan het Hof van Cassa­tie van de vervolging vermag kennis te nemen';

 

            Overwegende dat, ook al zou het ontnemen van de mogelijkheid om zich voor de onderzoeksge­rechten te verdedigen, en het ontnemen van een dubbele aanleg, alsook van de voorziening in de cassatie, schending uitmaken van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die artikelen zouden ge­schonden zijn, niet door de in de conclusies aangewezen artikelen, maar door artikel 103 van de Grondwet, waarbij het Hof van Cassatie be­voegdheid wordt verleend om de ministers te be­rechten onder de bij die grondwetbepaling vast­gestelde voorwaarden;

 

            Overwegende dat artikel 26, § 1, 3°, van de bijzon­dere wet van 6 januari 1989 op het Arbitra­gehof bepaalt dat dit Hof, bij wijze van prejudi­ciële beslissing, uitspraak doet bij wege van arrest over vragen omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet;

 

            Overwegende dat de vorderingen van de be­klaagden, buiten het toepassingsgebied van voor­meld artikel 26 vallen."

 

      48. Na de uitspraak van het arrest deed een van de raads­lieden van de beklaagden, die zich uitte na­mens het geheel van de verdediging, opmerken dat het Hof zelf de regels van de toepasselijke procedure vaststelde en uitte hij het voorbehoud waarbij hij verwees naar artikel 6 van het Verdrag. Hij vroeg eveneens of het Hof overwoog om overeenkomstig het tweede lid van artikel 190 van het Wetboek van Straf­vordering over te gaan tot de voorlezing, door de griffier, van de 30.000 blad­zijden die het dossier samenstelden, waarbij hij verklaarde dat als men ver­wees naar de gebruiken van de correctionele rechtbank, het paste dat sommige punten ervan werden toegepast en andere niet. Het Hof gaf geen gevolg aan dat verzoek.

      49. In de loop van de terechtzitting van 12 fe­bruari 1996 gaf de procureur-generaal vervolgens een uiteenzetting van de zaak, die op 13 februari 1996 werd voortgezet. Bij het begin van zijn uiteenzetting drukte hij zich met name uit in de volgende bewoordin­gen:

 

            "Ik zal de feiten onderzoeken die de Heer Coëme ten laste werden gelegd alsmede de feiten en tenlasteleggin­gen die de Heren Javeau en V. worden verweten, maar wat de twee laatstgenoemde beklaagden betreft enkel in de mate waarin die feiten en tenlasteleggingen nauw verbon­den zijn met die welke de Heer Coëme worden verweten.

 

            De Heer eerste advocaat-generaal zal van zijn kant de andere feiten en tenlasteleggingen behandelen die de Heren Javeau en V. worden ver­weten, alsmede die welke de Heer Hermanus worden verweten."

 

      50. Volgens de Heren Javeau en Stalport zou de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie op een bepaald ogenblik de uiteenzetting van de eerste advo­caat-generaal hebben onderbro­ken, en eraan herinneren­ hebben dat het in dit stadium van de debatten niet ging om een vordering.

      51. Op 16 februari 1996 begon het Hof van Cassa­tie met het verhoor van de beschuldigden en beklaag­den. Het hoorde eveneens de partijen ten aanzien van het opstellen van een tijdschema voor de voortzetting van de werkzaamheden van het Hof en de volgorde van het verloop der debatten. Bij die gelegenheid stelde het openbaar ministerie voor de verdediging te horen vóór de vordering. Na beraadslaging verklaarde de eerste voorzitter dat het Hof had beslist "de debatten voort te zetten in de hierna genoemde volgorde:

            1. voortzetting van het verhoor van de be­schuldigden en beklaagden,

            2. pleidooi van de burgerlijke partij,

            3. vordering van het openbaar ministerie,

            4. tussenkomst van de verdediging,

            5. eventuele replieken".

      52. Op 20 februari 1996 werd de Heer Stalport gehoord, tegelijkertijd met de Heer Javeau, ten aan­zien van de feiten die hem werden verweten.

      Het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari bevat de volgende vermeldingen:

 

            "Ter openbare terechtzitting van 20 februari 1996 van het Hof van Cassatie, zitting houdende in verenigde kamers, in de zaal van zijn plechti­ge zittingen, waar aanwezig waren en zitting namen:

 

            De eerste voorzitter Stranard, de voorzitter D'Hae­nens, de afdelingsvoorzitter Marchal, de raadsheren Ghislain, Rappe en Charlier, de afde­lingsvoorzitter Baeté-Swinnen, de raadsheren Willems, Lahousse, Jeanmart, Verheyden, Veroug­straete, Forrier, Boes, D'Hont, Wauters, Dhaeyer, Bourgeois en Huybrechts; de procureur-generaal baron J. Velu, de eerste advocaat-generaal du Jardin, de hoofdgriffier Vander Zwalmen, bijge­staan door de griffier Sluys en de gemachtigd griffier Van Geem,

 

            [...]

 

            De beklaagde Stalport verklaart: Ik ben voor de eerste en laatste maal gehoord op 16 maart 1994, in het kader van een procedure waarin [de minister] M. in het geding werd gebracht; men heeft mij gezegd dat ik ver­hoord werd als getui­ge, en dat ik niet moest worden geconfronteerd; op geen enkel ogenblik heb ik de gelegen­heid gehad om mijn middelen te doen gelden. Ik beves­tig de verklaringen die ik ter gelegenheid van dat verhoor heb afgelegd.

 

            [...]

 

            Vraag aan Stalport:

 

            Is het juist dat U het project bij de ont­vangst ervan zonder verdere formaliteit heeft overgezonden aan de administratie voor onderzoek en dat U na gunstig advies van de administratie het dossier heeft voorgelegd aan de inspecteur van financiën op 23 mei 1989?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            Ja, het project maakte deel uit van een geheel dat werd voorgelegd aan de administratie en dat betrekking had op een globale som van 20 miljoen. Het is dat moment [bedrag] dat aanlei­ding heeft gegeven tot een ongunstig advies, mede vanwege de uiteenlopende meningen van de admini­stratie en van de inspectie van financiën.

 

            [...]

 

            Vraag aan Stalport:

 

            Wat is volgens U de reden waarom op 15 juni 1989, ondanks het negatieve advies van inspectie van financiën, drie overeenkomsten werden gete­kend die het voorwerp uitmaken van de tenlaste­legging en die, in hun geheel, precies hetzelfde voorwerp hebben waarbij elke overeen­komst evenwel is beperkt tot het bedrag van 1.200.000 frank?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            Na de weigering heb ik de minister onder­vraagd. Hij heeft mij de politieke opportuniteit om ermee door te gaan, bevestigd. Ik heb de minst dure oplossing gezocht. Enkele weken later hebben mijn medewerkers mij een nieuw project voorge­legd.

 

            Vraag aan Javeau:

 

            Toont dit niet aan dat de oorspronkelijke lening van 4.800.000 frank overgewaardeerd was?

 

            Antwoord van Javeau:

 

            Neen, Stalport heeft wel degelijk geant­woord, men heeft het project gewijzigd.

 

            Vraag aan Stalport:

 

            Legde de van kracht zijnde procedure aan de minis­ter, ten aanzien van de weigering van visum van de in­specteur van financiën, niet de ver­plichting om een beroep te doen aan de arbitrage van de minister van begroting, en in het geval waarin deze eveneens een negatief advies zou uitbrengen, gebruik te maken van de mogelijkheid om de zaak voor te leggen aan de Minister­raad, die in laatste aanleg zou hebben beslist?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            M. was eveneens minister van begroting. Men wilde zich lanceren in een veel beperkter pro­ject, men heeft een voorstudie gemaakt. Ik ben van mening dat de oplos­sing van het opsplitsen niet werd gekozen om aan de controle van financiën te ontsnappen. Als men de admini­stra­tieve procedures had gevolgd, had het project niet kunnen worden opgestart. Mijn functie van kabinetschef verplichtte mij ertoe ervoor te zor­gen dat de zaken snel gaan. Hoewel men niet de klassieke procedure heeft ge­volgd, is er toch een controle van financiën geweest.

 

            [...]

 

            Vraag aan Stalport:

 

            Wie heeft op het niveau van het kabinet beslist het negatieve advies van de inspecteur van financiën naast zich neer te leggen en de overeenkomst zodanig op te splitsen dat men niet aan het desbetreffende advies gebonden was?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            De beslissing om ermee door te gaan werd genomen door de minister, waarbij de oplossing erin bestond de draagwijdte van het aanvankelijke project te beperken. Ongeacht het vastgelegde bedrag had de inspectie van financiën een contro­le- en adviesbevoegdheid. Zelfs als een overeen­komst vanuit financieel oogpunt beperkt was, bleef zij correct op het vlak van de transparan­tie.

 

            [...]

 

            Vraag aan Stalport:

 

            U heeft in hoofdzaak verklaard (p. 9540) dat U zich ergerde aan de logheid en het immobilisme van de inspec­tie van financiën en dat U binnen Uw kabinet de raad had gegeven om op een andere manier te handelen, namelijk door het contract in drie delen te splitsen zodat de bedragen lager zouden zijn dan het bedrag van 1.250.000 frank, zijnde de drempel voor het verplichte optreden van de inspecteur van financiën, en U heeft eraan toegevoegd dat U ondanks die werkwijze het opge­splitste project opnieuw heeft voorgelegd aan de inspecteur van financiën, die ditmaal een gunstig advies heeft uitgebracht, en dat de opsplitsing van het project in drie delen had geleid tot een beduidende vermindering met 25% van de kosten van het totale volume. Bevestigt U die beoordeling van Uw houding?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            Ja, want de procedure van de inspectie van financiën duurde een zekere tijd; men wilde snel tewerkgaan en men heeft een beroep gedaan op een andere procedure, evenwel met een visum van de inspectie van financiën, procedure die sneller was maar dit de controle behield; ik beschik­te over weinig tijd en er moest een oplossing worden gezocht door beroep te doen op een snellere pro­cedure, die van het visum op het ordonnancerings­bulletin. Ik wist dat rekenschap moest worden afgelegd aan de minister; ik heb erop aangedron­gen dat de inspectie van financiën haar handteke­ning zou plaatsen in elk dossier, en dit is ge­beurd ook voor die waarvoor dit niet verplicht was.

 

            Vraag aan Stalport:

 

            Heeft U kennis gehad van de nota gericht aan C., minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve op 11 september 1989 door L., inspec­teur-generaal van finan­ciën (p. 9270), waarin werd besloten tot het volkomen betwistbare karak­ter van de voortzetting van de uitvoe­ring van de drie overeenkomsten alsmede tot het blokkeren van de betalingen van alle facturen door het Gewest, zelfs in aanwezigheid van facturen die vanuit formeel oogpunt regelmatig zijn opgesteld?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            Ik heb achteraf kennis gehad van de verwij­ten van L. Ik weet niet of L. slechts één over­eenkomst kende. In die verwijten denk ik dat hij verwijst naar drie overeenkom­sten van 1,5 mil­joen. Hij was dus ervan op de hoogte dat er drie overeenkomsten waren.

 

            Op interpellatie verklaart Javeau: de op­splitsing beantwoorde aan reële contingenties.

 

            Op interpellatie van de eerste advocaat-generaal: De administratie heeft drie overeenkom­sten ontvangen en heeft slechts één vastlegging verricht, denkende dat het ging op drie exempla­ren van een enkele overeenkomst. Herinnert Stal­port zich die onduidelijkheid, die zich heeft herhaald voor de drie overeenkomsten?

 

            Antwoord van Stalport:

 

            Men zou mij de vergissing hebben gesigna­leerd, maar ik was er niet meer sinds 18 juni 1989."

 

      53. Op 4 maart 1996 legde de Heer Stalport nieuwe conclu­sies neer volgens welke er geen enkele samenhang bestond tussen de hem ten laste gelegde feiten en die welke aan de Heer Coëme ten laste werden gelegd, en dat er dus aanleiding toe bestaat hem te verwijzen naar zijn natuurlijke rechter, de correctionele recht­bank.

      54. In de loop van de debatten vroeg de Heer Hermanus van zijn kant het Hof een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof betreffende de verja­ring van de strafvordering. Hij vroeg dat bij ontsten­tenis het Hof de verjaring van de strafvordering te zijnen opzichte zou vaststellen. Hij wierp bovendien op dat er geen enkele band van samenhang bestond tus­sen de feiten die hem werden verweten en die welke aan de Heer Coëme werden verweten. Hij beriep zich ook op een over­schrijding van de "redelijke termijn" voor de behandeling van zijn zaak. Ten gronde betoogde hij dat hij zonder strafbaar opzet had gehandeld.

      55. Het Hof van Cassatie wees zijn arrest op 5 april 1996.  Het besliste allereerst dat er een band van samenhang bestond met de feiten die aan de Heer Coëme werden verweten en de feiten die werden toege­schreven aan de andere beklaagden, en sprak zich uit als volgt:

 

            "Overwegende dat samenhang in de zin van de artike­len 226 en 227 van het Wetboek van Straf­vordering het verband is dat bestaat tussen twee of meer misdrijven en van zodanige aard is dat het vereist dat, met het oog op de goede rechtsbede­ling en onder voorbehoud van de eer­biediging van het recht van verdediging, de zaken samen en door dezelfde rechtbank worden beslist en deze aldus alle aspecten van de feiten als dusdanig, de regelmatig­heid van de bewijzen en de schuld van alle vervolgde personen kan beoordelen;

 

            Overwegende dat de beschuldigde en de be­klaagden tegelijkertijd worden vervolgd voor feiten die door hetzelfde onderzoek aan het licht zijn gekomen; dat die feiten behoren tot een systeem dat door Camille Javeau wordt beheerd waarbij de vereniging "U" het knooppunt is van de financiële belangen van het wetenschappelijk onderzoek en van de persoonlijke belangen van zijn be­stuurders en derden; dat, zoals Camille Javeau toegeeft, het systeem tot doel had met de overheid overeenkomsten te sluiten over studies die door de vereniging "U" of het instituut [...] moesten worden uitgevoerd, waarbij in de overeen­komsten voordelen waren opgenomen voor politici wier beslissingsmacht invloed of toekomstperspec­tieven borg moesten staan voor de doeltreffend­heid en de conti­nuïteit van het voornoemde sys­teem;

 

            Dat alle feiten die aan de beschuldigde en de be­klaagden ten laste worden gelegd zo in het systeem passen dat er tussen de feiten een ver­band bestaat dat de toe­passing rechtvaardigt van de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering;

 

            Overwegende dat die toepassing, zelfs indien zij, in casu, behept was met alle ongemakken en nadelen waarover de beklaagden klagen, niet de volledige uitoefening heeft belemmerd van hun recht om de ontvankelijkheid van de vervolgingen en de gegrondheid van de hun ten laste gelegde feiten te betwisten, om al hun verweermiddelen aan te voeren en om het Hof alle vorderingen voor te leggen die zij nuttig hebben geacht voor de berechting van hun zaak."

 

      56. Het Hof van Cassatie weigerde bovendien aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen betreffende de verjaring, en zette uiteen:

 

            "Overwegende dat Guy Coëme bij conclusie betoogt dat de verlenging van de verjaringster­mijn "in zoverre zij toepasselijk zou zijn op alle strafvorderingen die ont­staan zijn voor de inwerkingtreding ervan en op die datum nog niet verstreken zijn, en waardoor langere termijnen worden ingevoerd, een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdige discriminatie schept, in vergelijking met de toestand van degenen waar­op, wegens de datum waarop de feiten zijn ge­pleegd, de verjaringstermijn van het oude artikel 21 toepasselijk is";

 

            Dat Jean-Louis Mazy betoogt dat de wet waar­bij een nieuwe verjaringstermijn wordt ingevoerd toepasselijk is op alle rechtsvorderingen die ontstaan zijn vóór de datum van inwerkingtreding ervan en op die datum nog niet verjaard zijn, en dat, bijgevolg, het verval van de strafvordering door verjaring afhangt van de datum van de daden van stuiting; dat hij hieruit afleidt dat, in casu, de toepassing van de artikelen 25 en 26 van de programma­wet van 24 december 1993 een discri­minatie schept die door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verboden is;

 

            Dat Merry Hermanus eveneens betoogt dat "alleen de datum van de daden van stuiting, wat hem betreft, bepaalt of de nieuwe wet werd toege­past dan wel of de toepassing van de oude wet gehandhaafd blijft";

 

            Overwegende dat de voornoemde beschuldigde en be­klaagden, in de slotbeschouwing van hun conclusie, het Hof verzoeken aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over een con­flict dat, volgens hen, bestaat tussen de artike­len 10 en 11 van de Grondwet en artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993 waarbij de verjaringstermijnen worden verlengd;

 

            Dat uit die conclusies blijkt dat de onge­lijke behandeling waarover zij klagen volgens de betrokkenen zelf, uitsluitend voortvloeit uit de datum waarop de daden van onderzoek of van ver­volging werden verricht en uit de weerslag van dergelijke daden op de loop van de verjaring, maar niet uit het bepaalde van artikel 25 van de wet van 24 december 1993;

 

            Dat zij aldus niet een onderscheid bekriti­seren dat door die wet zou zijn ontstaan, maar wel de gevolgen die noodzakelijkerwijs voort­vloeien uit elke toepassing van de strafproceswet in de tijd;

 

            Overwegende dat de opgeworpen vragen niet onder de toepassing vallen van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitra­gehof en dat ze derhalve niet dienen te worden gesteld;"

 

      57. Het Hof stelde overigens vast dat de straf­vordering niet was verjaard ten aanzien van de Heren Coëme en Hermanus, en overwoog:

 

            "Overwegende dat een nieuwe wet, inzake strafvorde­ring, onmiddellijk effect sorteert zodat zij van toepas­sing is op alle strafvorde­ringen die voor haar inwerking­treding zijn ont­staan en op die datum nog niet zijn verjaard krachtens de oude wet;

 

            Dat de wanbedrijven, die op 31 december 1993 nog niet waren verjaard, behoudens enige grond van schorsing van de verjaring, zullen verjaren na het verstrijken van een termijn van vijf jaren te rekenen van de feiten; dat die termijn eventu­eel kan worden verlengd met een nieuwe termijn van vijf jaren vanaf een daad van stuiting die regelmatig is verricht voor het verstrijken van de eerste termijn van vijf jaren;

 

            Overwegende dat, nu de verjaring van de strafvorde­ring, die ingegeven is door de belangen van de maatschap­pij, het verval is van de be­voegdheid om na een zeker tijdsverloop een be­klaagde te vervolgen, de wetten be­treffende de verjaring de grond van het recht niet raken; dat zij, wanneer zij de verjaringstermijn verlengen, niet tot gevolg hebben de op de datum van mis­drijf toepasse­lijke straf te verzwaren noch een daad of een verzuim te straffen die op het ogen­blik van het begaan ervan niet strafbaar was; dat de artikelen 7 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten daarop niet van toe­passing zijn;

 

            Overwegende dat de datum van het vonnis in aanmer­king moet worden genomen om definitief te oordelen of de strafvordering verjaard is en dat de aard van het mis­drijf niet wordt bepaald op grond van de toepasselijke straf maar wel op grond van de toegepaste straf; dat de verjaring van de strafvordering betreffende een feit dat in principe een misdaad is, van het begin af kan worden beïnvloed door de toegepaste straf; dat, in de veronder­stelling dat het Hof, na de feiten valsheid en gebruik van valse stukken bewezen te hebben verklaard, verzach­tende omstandigheden zou aannemen, waardoor die misdaden aldus zouden worden omgezet in wanbedrijven, de verja­ringster­mijn van die misdrijven die van de wanbedrijven zou zijn, namelijk vijf jaren;

 

            Overwegende dat, indien verscheidene mis­drijven de opeenvolgende uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet en aldus slechts een enkel misdrijf opleveren, het misdrijf slechts helemaal voltooid is en de verjaring van de strafvordering ten aanzien van alle feiten tezamen slechts be­gint te lopen vanaf het laatste feit, op voor­waarde evenwel dat ieder vorig misdrijf niet van het latere misdrijf is gescheiden door een tijds­verloop dat langer is dan de toepasselijke verja­ringstermijn, behou­dens stuiting of schorsing van de verjaring;

 

            [...]

 

            Overwegende dat de aan de beschuldigde en de be­klaagden ten laste gelegde feiten gepleegd zijn:

 

            - wat G. Coëme betreft, tussen 29 maart 1981 en december 1989, waarbij het laatste feit da­teert van 30 november 1989;

 

            [...]

 

            - wat M. Hermanus betreft, tussen 1 december 1987 en 1 maart 1988, waarbij het laatste feit dateert van 29 februari 1988;

 

            [...]

 

            Overwegende dat die feiten, gesteld dat ze bewezen zijn, de uitvoering vormen van een zelfde misdadig opzet; dat de verjaring van de strafvor­dering voor ieder van de betrokkenen, ten aan­zien van het geheel van de feiten die op hen betrek­king hebben, slechts begint te lopen vanaf het laatste feit, dat, in casu, niet van de anderen is gescheiden door een tijdsverloop dat langer is dan de geldende verjaringstermijn;

 

            Overwegende dat de wet van 24 december 1993, die de verjaringstermijn van de strafvordering voor wanbedrij­ven, en bijgevolg voor de gecorrec­tionaliseerde misdaden, van drie op vijf jaren brengt, toepasselijk is op de beschuldigde en op de beklaagden, aangezien de verjaring van drie jaren niet was bereikt bij de inwerkingtreding van de voornoemde wet en ze op 22 februari 1991 ten aanzien van de beschuldigde en de beklaagden geldig werd gestuit door het proces-verbaal nr. 480 (p. 14690) van het Hoog Comité van Toezicht, dat is een onderzoeksdaad die werd verricht tij­dens de oude termijn van drie jaren;

 

            Dat derhalve de oorspronkelijke verjarings­termijn van vijf jaren is beginnen te lopen:

 

            - ten aanzien van [G.] Coëme, op 30 november 1989;

 

            [...]

 

            - ten aanzien van [M.] Hermanus op 29 febru­a­ri 1988;

 

            Overwegende dat die termijn op 10 juni 1992 door het proces-verbaal nr. 2337 van het Hoog Comité van Toezicht [...] geldig werd gestuit;

 

            Day hieruit volgt dat de strafvordering voor geen enkele van de in de dagvaarding vermelde feiten is ver­jaard."

 

      58. Het Hof van Cassatie verklaarde de meeste aan de Heer Coëme verweten feiten bewezen en veroordeelde deze verzoeker tot een gevangenisstraf van twee jaar, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van vijf jaar, en tot een geldboete van 1.000 BEF, gebracht op 60.000 BEF. Het legde hem eveneens het verbod op alle rechten uit te oefenen die zijn opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek voor een termijn van vijf jaar en veroordeelde hem hoofdelijk met een andere beklaagde ertoe aan de burgerlijke partij, de vereni­ging "U", de sommen te betalen van 476.000 BEF, 31.970 BEF en 41.070 BEF.

      59. Het Hof van Cassatie verklaarde de tenlaste­leggin­gen die de Heer Mazy werden verweten bewezen en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van negen maanden, met uitstel van de tenuitvoerlegging geduren­de een periode van drie jaar, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF.

      60. Het Hof van Cassatie veroordeelde de Heer Stalport tot een gevangenisstraf van zes maanden, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een periode van een jaar, en een geldboete van 26 BEF, gebracht op 1.560 BEF, na de tenlaste­legging die hem werd verweten bewezen te hebben verklaard, door zich te baseren op de volgende vaststellingen:

 

            "Overwegende dat de inspectie van financiën op 30 mei 1989 een ongunstig advies (p. 18684) heeft uitge­bracht over een ontwerp van overeen­komst waarbij de [vereniging "U"] voor het Brus­sel­se Gewest "bij alle Brusselse ondernemingen een voorstudie" zou uitvoeren tegen de totale prijs van 4.800.000 frank, zonder BTW, (p. 18689 tot 18694);

 

            Overwegende dat op 15 juni 1989 drie over­eenkomsten werden ondertekend door [M.] in naam van het Brusselse Gewest en door Camille Javeau, in naam van de [vereniging "U"], telkens voor een forfaitaire prijs van 1.200.000 frank (p. 18699 tot 18710);

 

            Dat de [vereniging "U"] zich in die overeen­komsten ertoe verbond een "voorstudie" uit te voeren;

 

            a) "bij de KMO's die in onderaanneming wer­ken" (overeenkomst 1)

 

            b) "bij alle door het Brusselse Gewest ge­steunde ondernemingen" (overeenkomst 2)

 

            c) "bij de exportgerichte KMO's" (overeen­komst 3);

 

            Dat die overeenkomsten op 15 juni 1989, de dag waarop ze werden gesloten, met de handteke­ning van de minister, aan de administratie werden bezorgd (p. 18681); dat de inspectie van finan­ciën op 30 juni 1989 het vast­leggingsbulletin betreffende één van de overeenkomsten, zonder voorbehoud te maken, heeft geviseerd (p. 18680);

 

            Overwegende dat uit de vergelijking tussen het ontwerp van de oorspronkelijke overeenkomst en de drie nieuwe overeenkomsten blijkt dat de omstandigheid dat het voorwerp en de prijs van de oorspronkelijke overeenkomst in de drie nieuwe overeenkomsten werden beperkt, niet belet dat het nog altijd om hetzelfde oorspronkelijke concept en oogmerk ging, m.a.w. om dezelfde opdracht;

 

            Overwegende dat uit de verklaringen van Jean-Louis Stalport (p. 9540)[1] en van Camille Javeau (p. 2905)[2] blijkt dat de splitsing bedoeld was om het verplichte advies van de inspecteur van Financiën te omzeilen;

 

            Dat het advies van de inspecteur van Finan­ciën waarop Jean Louis Stalport doelt, de onder­tekening voor gezien is die vereist is voor de vastlegging van de uitgave, die op 30 juni 1989, na de toewijzing van de opdracht is aangebracht en niets bewijst omtrent de wil tot doorzichtig­heid waarop beklaagde zich beroept (p. 1304);

 

            Overwegende dat noch de omstandigheid dat, ook al was de opdracht niet gesplitst, de op­dracht hoe dan ook zou zijn gegund, noch de omstandigheid dat de drie over­eenkomsten aan het niet verplichte advies van de inspec­teur van Financiën zouden onderworpen zijn, de artificiële splitsing van de opdracht kunnen rechtvaardi­gen;

 

            Overwegende dat het bedrieglijk opzet dat voor de tenlastelegging wordt vereist enkel aan de zijde van de dader van het misdrijf moet be­staan;

 

            Dat het voldoende is dat de mededaders tot de uit­voering van het misdrijf noodzakelijke hulp hebben ver­leend of dat zij het rechtstreeks heb­ben uitgelokt, dat zij een positieve kennis heb­ben gehad van de omstandighe­den die het hoofdfeit opleverden en dat zij de wil hebben gehad om op de bij de wet bepaalde wijze samen te werken om het misdrijf te plegen;

 

            Dat Jean Louis Stalport met het bedrieglijk opzet om het door minister [M.] goedgekeurde verzoek van Camille Javeau in te willigen, de noodzakelijke hulp heeft ver­leend om de beoogde doelstelling binnen de bepaalde termijn uit te voeren."

 

      61. Het Hof van Cassatie verklaarde vervolgens de aan de Heer Hermanus verweten tenlasteleggingen bewezen en veroor­deel­de hem tot gevangenisstraf van een jaar, met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een perio­de van vijf jaar, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF. Het legde hem eveneens het verbod op alle rechten uit te oefenen die zijn opge­somd in artikel 31 van het Strafwetboek, voor een periode van vijf jaar.

      62. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de Heer Hermanus was berecht binnen een redelijke termijn, zich hierbij base­rende op de volgende overwegingen:

 

            " Overwegende dat uit het dossier blijkt:

 

            - dat het Hoog Comité van Toezicht op 7 augustus 1989 het oorspronkelijk proces-verbaal heeft overgezonden aan de procureur des Konings te Brussel (p. 1120 tot 1094);

 

            - dat de vordering om een onderzoek in te stellen tegen Camille Javeau en tegen allen tegen wie het nodig is, opgemaakt is op 25 augustus 1989 (p. 1085);

 

            - dat, wegens de talrijke verhoren en onder­zoeksop­drachten die noodzakelijk waren geworden door de aard van de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten, tal van processen-verbaal moesten worden opgemaakt;

 

            - dat de aard van de feiten vereiste dat op 20 oktober 1989 een gerechtsdeskundige werd aan- gesteld (p. 283) met als opdracht duizenden stuk­ken en elektronische gegevens na te zien en uit te pluizen; dat dienaangaande moet worden opge­merkt dat de boekhoudkundige geschriften van [de vereniging "U"] en het instituut [...] onderling vermengd waren wat de taak van de deskundige bemoeilijk­te; dat de deskundige, na op 26 decem­ber 1989 (p. 358 tot 337) een voorafgaande nota, op 26 november 1990 (p. 373 tot 367) een analyse van de bankrekeningen van Camille Javeau, op 6 december 1990 een nota van antwoord op de opmer­kingen van Camille Javeau (p. 460 tot 440), een nota over de overeenkomst met de Franse Gemeen­schap D/100 van 24 september 199 (p. 664 tot 659) te hebben neergelegd, de verschillende gedeelten van zijn verslag achtereenvol­gens heeft ingediend op 29 december 1993, 7 januari 1994, 21 januari 1994, 4 februari 1994, 3 maart 1994 en 22 aart 1994 (p. 18.256 tot 18.157, 17.939 tot 17.769, 19.406 tot 19.156, 18.909 tot 18.811, 17.285 tot 17.228, 20.576 tot 20.464);

 

            - dat, gedurende de tijd waarin de deskundi­ge zijn opdracht vervulde en nadien, het onder­zoek onverwijld is voortgezet, zoals uit de pro­cessen-verbaal en de inventa­rissen blijkt;

 

            - dat uit de aldus verrichte onderzoeksop­drachten blijkt dat, gelet op de onderlinge ver­wevenheid van de feiten, de verklaringen van de talrijke, bij de zaak betrokken personen moesten worden nagetrokken en de bijeengebrachte gegevens tegenover elkaar moesten worden gesteld vooraleer het openbaar ministerie in staat was te vorderen;

 

            - dat het dossier reeds p 30 juni 1994 door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel is medegedeeld aan de voorzitter van de Kamer van volksver­tegenwoordigers omdat het dos­sier aanwijzingen leek te bevatten van misdrij­ven, onder meer ten laste van Guy Coëme, [P. M.] en [W.C.], die waren gepleegd tijdens de uitoefe­ning van hun ministerieel ambt, en laatstgenoemde nog minister was op de dag van de toezending van het dossier (p. 26.645 tot 26.572);

 

            Dat de Kamer van volksvertegenwoordigers op de voltallige zitting van 14 juli 1994 Guy Coëme in staat van beschuldiging heeft gesteld en hem naar het Hof van Cassatie heeft verwezen;

 

            Dat de eerste voorzitter van het Hof reeds op 21 juli 1994, op vordering van de procureur-generaal , raadsheer [F.] heeft aangewezen tot onderzoeksrechter in deze zaak met de opdracht het onderzoek van de feiten te vervolledigen en voort te zetten in nauwe samenwerking met de onderzoeksrechter [V. E.] bij wie, in die stand van het onderzoek, dezelfde feiten aanhangig bleven, in zoverre er tegen andere personen dan Guy Coëme aanwijzin­gen van misdrijven bestonden;

 

            Dat de met het onderzoek belaste raadsheer op 9 mei 1995 zijn dossier heeft medegedeeld aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;

 

            Dat de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel van 15 juni 1995, op de zitting van 10 juli 1995 toestemming heeft verleend tot het instellen van vervolgingen tegen het gewestelijk raadslid Merry Hermanus voor een correctionele kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel; dat, nu de zaak bij be­schikking van 22 september 1995 van de raadkamer was onttrokken aan onderzoeksrechter [V. E.], de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de zitting van 18 oktober 1995, op vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie van 25 september 1995, toestemming heeft verleend om Merry Hermanus te vervolgen voor het Hof;

 

            Dat de vordering tot dagvaarding tegen de zitting van 5 februari 1996 is ondertekend op 8 november 1995;

 

            Overwegende dat, gelet op de mogelijke sa­menhang tussen de aan de beschuldigde en aan de beklaagden verwe­ten feiten, het lot van eren ieder, wat de regeling van de procedure betreft, niet kon worden losgekoppeld van dat van de ande­ren;

 

            Overwegende dat het Hof nergens enige ver­traging in de vervolgingen vaststelt."

 

      63. De Heer Javeau werd veroordeeld tot een ge­vangenis­straf van twee jaar, met uitstel van de ten­uitvoerlegging voor de helft van die straf, en tot een geldboete van 500 BEF, gebracht op 30.000 BEF.

      64. Als gevolg van zijn veroordeling moest de Heer Stal­port ontslag nemen uit zijn functies van bestuurder die hij uitoefende in verscheidene naamloze vennootschappen naar Belgisch recht, met toepassing van artikel 1 van het Konink­lijk Besluit van 24 okto­ber 1996. De beslissing van verbod kan uitoefening van alle rechten opgesomd in artikel 31 van het Strafwet­boek ontnam de Heer Hermanus van zijn kant al zijn functies, te weten die van hoofdstedelijk raadslid, schepen, secretaris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeen­schap en voorzitter van de GOMB.

 

 

II. HET RELEVANTE INTERNE RECHT

 

 

      A. De Grondwet

 

      65. De relevante bepalingen van de gecoördineerde Grond­wet van 17 februari 1994 zijn de volgende:

 

  Artikel 12

 

            "De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Nie­mand kan worden vervolgd dan in de geval­len die de wet bepaalt en in de vorm die zij voor­schrijft. [...]"

 

  Artikel 13

 

            "Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrok­ken van de rechter die de wet hem toekent."

 

  Artikel 59

 

            "Behalve bij ontdekking op heterdaad kan geen lid van een van beide Kamers, tijdens de zitting en in straf­zaken, worden verwezen naar of rechtstreeks gedagvaard voor een hof of een rechtbank, of worden aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan het lid deel uitmaakt.

 

            [...]

 

            De hechtenis van een lid van een van beide Kamers of zijn vervolging voor een hof of een rechtbank wordt tijdens de zitting geschorst indien de Kamer waarvan het lid deel uitmaakt, het vordert."

 

Artikel 120

 

            "Ieder lid van een [Gewest‑ of Gemeen­schaps‑] Raad geniet de onschend­baarheid bepaald in de artikelen 58 en 59."

 

Artikel 147

 

            "Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie.

 

            Dit Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf, behalve bij het berechten van minis­ters en leden van de Gemeenschaps- en Gewestrege­ringen."

 

 

      B. De grondwettelijke bepalingen van toepassing op het ogenblik van de feiten, doch sedertdien gewijzigd

 

      66. Artikel 103, eerste lid, van de gecoördineer­de Grond­wet van 17 februari 1994 (vroeger artikel 90 van de Grondwet van 7 februari 1931), bepaalde:

 

      "De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft het recht ministers in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie; dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in ver­enigde kamers, behoudens hetgeen de wet zal bepa­len betreffende het instellen van de burger­lijke rechtsvordering door de benadeelde partij en be­treffende misdaden en wanbedrijven die door ministers buiten de uitoefening van hun ambt mochten zijn ge­pleegd."

 

      67. Artikel 103, tweede lid, van de gecoördineer­de Grond­wet van 17 februari 1994 (vroeger artikel 134 van de Grondwet van 7 februari 1831) bepaalde van zijn kant:

 

            "De wet bepaalt in welke gevallen de minis­ters verantwoordelijk zijn, welke straffen hun worden opgelegd en op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij inbeschuldi­gingstelling door de Kamer van volksvertegenwoor­digers als bij de vervolging door de benadeelde partijen."

 

      De Grondwet van 7 februari 1831 bevatte een arti­kel 139, dat met name bepaalde dat "de volgende zaken door afzonderlij­ke wetten, en wel binnen de kortst mogelijke tijd, dienen te worden geregeld: [...] 5° De verantwoordelijkheid van de ministers en andere over­heidspersonen". Dat artikel werd opgeheven op 14 juni 1971.

      68. De wet van 12 juni 1998 houdende wijziging van de Grondwet heeft artikel 103 van de Grondwet vervangen door een nieuwe bepaling, die bepaalt dat "ministers [...] uitsluitend [worden] berecht door het hof van beroep", zowel "voor mis­drijven die zij in de uitoefening van hun ambt mochten hebben gepleegd" als "voor misdrijven die ministers buiten de uitoe­fening van hun ambt mochten hebben gepleegd en waarvoor zij worden berecht tijdens hun ambtstermijn" (artikel 103, eerste lid).

      Bovendien bepaalt de nieuwe tekst dat "de wet bepaalt op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij de vervolging als bij de berechtiging" (artikel 103, tweede lid).

      69. Het gaat voortaan om de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoorde­lijkheid van ministers (alsmede om de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verant­woordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewest­regering). "Het hof van beroep te Brussel is bij uitslui­ting bevoegd om een minister te berechten voor misdrijven die hij mocht gepleegd hebben in de uitoefening van zijn ambt", terwijl "voor de berechting van een minister tijdens de uitoefening van zijn ambt, voor mis­drijven die hij buiten de uitoefening van zijn ambt mocht gepleegd hebben, [...] de hoven van beroep van de plaats van het misdrijf, die van de verblijfplaats van de verdachte en die van de plaats waar de verdachte gevonden is, gelijke­lijk bevoegd zijn" (artikel 1) [lees: artikel 2]. De wet regelt het verloop van de vervolgingen en van het onderzoek, de procedure voor het hof van beroep en de modaliteiten van de voorziening in cassatie. Titel VI van de wet voorziet in twee bijzondere bepalingen, waaronder artikel 29, dat uitdrukkelijk bepaalt:

 

      "De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven, worden samen met de minister vervolgd en berecht."

 

 

      C. De overgangsbepaling

 

      70. In afwachting van een procedurewet en om te vermijden dat de rechtsbedeling in strafzaken zal worden verlamd ten aanzien van de ministers gedurende de tijd die nodig is om de wet aan te nemen, had het Nationaal Congres in 1831 een over­gangsbepaling aange­nomen om de bevoegdheden van de Kamer van volksverte­genwoordigers en van het Hof van Cassatie te rege­len.

      In zijn oorspronkelijke versie luidde het vroege­re arti­kel 134 van de Grondwet, dat achteraf de over­gangsbepaling van artikel 103 is geworden, als volgt:

 

            "Totdat de wet erin zal hebben voorzien, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers een discretionaire macht om een minister in beschul­diging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, met karakterisering van het mis­drijf en bepaling van de straf."

 

      71. In deel II van de Novelles de 1935, gewijd aan de "politieke en administratieve wetten", is uit­eengezet dat die bepaling, enerzijds, de gewone ver­antwoordelijkheid van de ministers beoogde en, ander­zijds, een bijzondere verantwoorde­lijk eigen aan hun functie. Men kan er met name lezen (nrs. 723 tot 725, p. 236):

 

            "Wanneer het gaat om feiten waarin het Strafwetboek voorziet, zijn de straffen van dat Wetboek van toepas­sing. Wanneer het integendeel gaat om feiten waarover het Strafwetboek het stilzwijgen bewaard, heeft, voorlopig en in af­wachting dat een wet daarin voorziet, de Kamer van volksvertegenwoordigers een discretionaire bevoegdheid om de ministers in beschuldiging te stellen en het Hof van Cassatie om hen te berech­ten, met karakterisering van het misdrijf en bepaling van de straf."

 

      72. In zijn openingsrede van 1 september 1976 (Journal des Tribunaux, 1976, inzonderheid pp. 653‑654, nrs. 4 en 5, alsmede pp. 658-659, nr. 19), beklemtoonde de Heer procureur-generaal Delange dat krachtens de overgangsbepaling van arti­kel 103 (toen 90) van de Grondwet, de strafrechtelijke aan­sprake­lijkheid van de ministers in het geding was voor alle misdrijven waarin de strafwet voorziet, aangezien het Hof van Cassatie op dit punt geen enkele discretionai­re bevoegdheid heeft (hooguit zou het strafbaarstel­lingen en straffen kunnen toevoegen, maar geenszins zou het wat dan ook kunnen afnemen van de gewone strafrechtelijke aansprakelijkheid van minis­ters). Hij wees eveneens erop dat "ten aanzien van de procedu­re van het Hof van Cassatie, het duidelijk blijkt dat bij ontstentenis van een wet, de gemeenrechtelijke regels in strafzaken bij analogie toepassing zouden moeten vinden" (p. 669).

      73. Bij de grondwetswijziging van 5 mei 1993 werd de overgangsbepaling van artikel 103 van de Grondwet als volgt gewijzigd:

 

            "Totdat de wet bedoeld in het tweede lid erin zal hebben voorzien, heeft de Kamer van volksvertegenwoordi­gers de discretionaire macht om een minister in beschul­diging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, in de gevallen en met toepassing van straffen die in de strafwetten zijn bepaald."

 

      74. Aangezien de wetgever echter nooit op een andere manier is opgetreden dan langs tijdelijke weg, was die over­gangsbepaling van kracht tot aan de grond­wetswijziging van 1998 (bovenstaande paragraaf 68).

 

 

      D. De toepassingswetten van het vroegere artikel 103 van de Grondwet

 

      75. Verscheidene toepassingswetten van het vroe­gere artikel 103 van de Grondwet werden aangenomen. Het ging om gelegenheidswetten en tijdelijke wetten.

      76. De eerste van die wetten werd aangenomen ten gevolge van een duel, in 1865, tussen een lid van de Kamer van volks­vertegenwoordigers en de minister van Oorlog. Beiden hadden gebruik gemaakt van hun wapen. Aangezien die feiten een straf­baar feit uitmaken, wilde de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vervolgingen instellen. Daar een van de twee antago­nisten minister was, kwam het de Kamer van volksverte­genwoordigers toe hem in beschuldiging te stellen en werd een vraag in die zin geformuleerd. De Kamer van volksvertegenwoor­digers ging hierop slechts in door middel van de voorafgaande aanneming van een wet.

      77. In het verslag namens de bijzondere commissie benoemd door de Kamer om de door dat duel opgeworpen vraagstukken van grondwettelijk recht te onderzoeken, lichtte de Heer Delcour het neergelegde wetsontwerp met name in de volgende bewoordin­gen toe:

 

            "Onze commissie, Mijne Heren, was eveneens van mening dat het Hof van Cassatie bevoegd is om uitspraak te doen over de feiten van medeplich­tigheid of de samen­hangende misdrijven die zouden worden toegeschreven aan andere personen dan aan de vervolgde minister. Zij heeft verwezen naar de algemene rechtsbeginselen.

 

            Het zou immers niet rationeel zijn, aldus de Heer Dalloz, dat de uitzonderingsrechtbank die, door het grote aantal rechters waaruit zij is samengesteld, door haar rang in de gerechtelijke hiërarchie, door de plechtigheid van haar vormen, aan de beschuldigden meer waarborgen biedt dan de gewone rechtbanken, niet bevoegd zou zijn om uitspraak te doen over de feiten van medeplich­tigheid of over de samenhangende misdrijven. Dit is reeds het geval in artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering. Wan­neer de verdachte magi­straat medeplichtigen heeft bij wie niet hetzelf­de openbare karakter aanwezig is, is het niet de magistraat die hen volgt voor de correctionele recht­bank, maar zijn het de medeplichtigen die de magistraat volgen voor het hogere rechtscollege.

 

            [...]

 

            Het ligt wellicht in het algemeen belang dat de minister die schuldig is aan een misdaad of wanbedrijf voor de rechtbanken wordt gebracht, daar, zoals ik reeds eerder heb gezegd, niemand in België zich op straffeloos­heid kan beroepen. Maar naast dat algemeen belang is er een ander openbaar belang dat niet minder eerbied ver­dient, namelijk dat van de volledige vrijheid van de minister voor het beheer van de staatszaken op een be­paald ogenblik. Het is de Kamer van volks­verte­genwoordi­gers die over dit laatstgenoemde belang oordeelt, waar­voor het eerstgenoemde in sommi­ge omstandigheden lijkt te moeten wijken. Ik veronderstel dat de minister van Oorlog een wan­bedrijf heeft begaan: de situatie van het land is kritiek, hij alleen kan op passende wijze in zijn verde­diging voorzien. Is het in een dermate ern­stige situatie niet noodzakelijk dat de Kamer van volksvertegenwoordi­gers het belang van het ge­recht kan doen wijken voor dit andere openbare belang, dat nog veel groter is, namelijk het belang van de verdediging van de Staat en van het algemeen welzijn?

 

            [...]

 

            Het Hof van Cassatie zal van zijn kant de vormvoor­schriften van het Wetboek van Strafvorde­ring in acht nemen, volgens het karakter van het misdrijf dat aan dat Hof is voorgelegd: gaat het om een wanbedrijf, dan zal het zich conformeren aan de bestaande bepalingen inzake wanbedrijven; gaat het om een misdaad, aan de bepalingen van het Wetboek die de hoven van assisen regelen; in dit laatstgenoemde geval, waarbij het hof oor­deelt zonder tussenkomst van een jury, is het duidelijk dat de bepa­lingen van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot dit gedeelte van de procedure geen toepassing kunnen vinden."

 

      78. De wet "betreffende de wanbedrijven gepleegd door ministers buiten de uitoefening van hun ambt" werd aangenomen op 19 juni 1865. Zij bepaalde met name [vrij vertaald]:

 

   Artikel 1

 

            "De misdaden en wanbedrijven gepleegd door een minister buiten de uitoefening van zijn ambt worden gebracht voor het Hof van Cassatie, verenigde kamers. [...]"

 

   Artikel 7

 

            "Het Hof van Cassatie neemt de vormvoorschriften van het Wetboek van Strafvordering in acht. [...]"

 

   Artikel 9

 

            "Voor overtredingen worden ministers berecht door de rechtbanken, volgens de gewone vormvoorschriften."

 

  Artikel 10

 

            "Deze wet is bindend vanaf de dag na de bekendmaking ervan en heeft slechts uitwerking gedurende een jaar [...]."

 

           

      79. Het is overeenkomstig de bepalingen van die wet dat de minister van Oorlog en het lid van de Kamer van volksverte­genwoordigers voor het Hof van Cassatie werden gebracht, en door dat Hof werden berecht en veroordeeld. De relevante gedeelten van het arrest van 12 juli 1865 luiden als volgt:

 

            "Overwegende dat de ondeelbaarheid van de rechtsple­ging een noodzakelijk gevolg is van de ondeelbaarheid van het wanbedrijf en dat zij met zich meebrengt dat de gehele vervolging wordt toegewezen aan de rechter van de hoogste orde, bevoegd ten aanzien van een van de beklaag­den;

 

            Overwegende dat dit beginsel van openbare orde, dat universeel in de rechtspraak wordt aangenomen, was veran­kerd door een wet die in België werd bekendgemaakt, namelijk die van 24 messidor van het jaar IV, tot rege­ling van de wijze waarop in rechte wordt opgetreden tegen de medeplichtigen, hetzij van een volksvertegenwoor­diger, hetzij van een lid van het uitvoerend directorium, door de wetgevende macht in beschul­diging gesteld en gebracht voor het hooggerechts­hof; dat het sedertdien opnieuw bij wet is be­krachtigd door de toepassing die het Wetboek van Strafvordering in artikel 501 ervan heeft ge­maakt;

 

            Overwegende dat aangezien luitenant-generaal baron C., minister van Oorlog, ter uitvoering van de wet van 19 juni j.l. moet worden berecht door het Hof van Cassatie, bij dit Hof, volgens het­geen hiervoor is erkend, op wettige wijze de vervolging aanhangig is gemaakt die gelijktijdig is gericht tegen de vertegenwoordiger D., medebe­klaagde;

 

            [...]

 

            Om die redenen, verklaart de twee beklaagden schul­dig aan het wanbedrijf van duel zonder ver­wondingen en de eerste beklaagde schuldig aan het wanbedrijf van uitda­ging tot dat duel."

 

      80. Op 3 april 1995 heeft de federale wetgever een tweede wet houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoering van arti­kel 103 van de Grondwet goedgekeurd. Die wet had enkel betrek­king op de onder­zoeksdaden die door de Kamer van volksverte­genwoordi­gers konden worden gelast, en de duur ervan was be­perkt tot negen weken.

      In haar advies uitgebracht op 23 maart 1995 over het ontwerp van wet dat tot die wet zou leiden, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich als volgt uitgesproken:

 

            "Dat wetsvoorstel maakt slechts zeer gedeeltelijk gebruik van die ruime machtiging, die de wetgever er nochtans toe moet brengen zowel de strafbare feiten te bepalen die door ministers kunnen worden gepleegd, als de straffen die hun kunnen worden opgelegd of de procedure die tegen hen kan worden in gang gezet, zowel vóór als na de bekendmaking van de eigenlijke akte van beschuldi­ging. Dit procédé kan problemen doen rijzen wegens de onzeker­heid die ze bijvoorbeeld kan laten bestaan omtrent het gevolg dat kan worden gegeven aan de in zulke omstandig­heden in gang gezette procedures."

 

      81. Op 17 december 1996 heeft de wetgever een derde wet houdende tijdelijke en gedeeltelijke uitvoe­ring van artikel 103 van de Grondwet aangenomen, die betrekking had op de federale ministers. Zij stond de Kamer van volksvertegenwoor­digers toe te gelasten dat onderzoeksdaden zouden worden verricht ten aanzien van een minister en zij bepaalde de voorwaarden ervan, alsmede de uitvoeringsmodaliteiten. De bijzondere wet van 28 februari 1997 betrof de gemeenschaps‑ en ge­westministers. Die twee wetten bleven van kracht tot 1 januari 1998.

 

 

      E. De prejudiciële vragen aan het Arbitragehof

 

      82. Krachtens artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 doet het Arbitragehof, bij wijze van prejudi­ciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent, enerzijds de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis (134) van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten en, anderzijds, om­trent elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in artikel 26bis (134) van de Grondwet, die uitgaan van verschil­lende wetgevers en, ten slotte, omtrent de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis van de Grondwet be­doelde regel van de artikelen 6, 6bis en 17 van de Grondwet. De artikelen 6 en 6bis van de grondwet, die de artikelen 10 en 11 zijn geworden krachtens de wij­ziging van 17 februari 1994, zijn die welke het begin­sel van de gelijkheid van de Belgen voor de wet alsme­de het genot, zonder discriminatie, van de toegekende rechten en vrijheden erkennen.

      83. Krachtens artikel 26, § 2, van dezelfde wet moet, indien een prejudiciële vraag wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college in beginsel het Arbitrage­hof ver­zoeken op die vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden wanneer de vordering niet ontvan­kelijk is om procedu­reredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger be­roep, verzet, voorziening in cassatie of be­roep tot vernieti­ging bij de Raad van State, is daar­toe evenmin gehouden wan­neer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met hetzelfde onderwerp, ofwel wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen, of ook wanneer de wet, het decreet of de in artikel 26bis (134) be­doelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in paragraaf 1 klaarblijkelijk niet schendt.

      84. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 1989 heeft de minister van Justitie het verplichte karakter van de prejudi­ciële vraag beantwoord met de noodzaak om ieder risico van willekeur te vermijden in de beoordelingen die de rechtscolleges in dit verband zouden kunnen geven.

 

 

      F. Het Wetboek van Strafvordering

 

      85. Artikel 21, eerste lid, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvorde­ring bepaalde:

 

            "De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, drie jaren of zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbe­drijf of een overtreding is."

 

      86. Artikel 25 van de programmawet van 24 decem­ber 1993 heeft die bepaling gewijzigd, die thans als volgt luidt:

 

            "De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, vijf jaren of zes maanden te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naar gelang dit misdrijf een misdaad, een wanbe­drijf of een overtreding is."

 

      87. In de parlementaire voorbereiding van de programmawet kan men in verband met artikel 25 lezen:

 

            "De nieuwe termijn geldt ook voor lopende termijnen, zonder enige vorm van terugwerking. Ook de minister denkt er zo over."

 

            [...]

 

            3de geval: de feiten werden gepleegd op 1 januari 1992 en een daad van stuiting werd ge­steld op 15 december 1993. Aangezien artikel 22 nog nooit werd gewijzigd, kunnen we ons afvragen of de feiten zullen verjaren op 15 december 1996 of op 15 december 1998. [...]

 

            De rapporteur is van mening dat de termijn van 3 jaar, die op 15 december 1993 begon te lopen, op 1 janua­ri 1994 vijf jaar wordt. Bijge­volg treedt de verjaring in op 15 december 1998 in plaats van op 13 december 1996. De nieuwe termijn geldt ook voor lopende termijnen, zonder enige vorm van terugwerking. Ook de minister denkt er zo over" (Parl. St., Kamer, S.O., 1993-1994, nr. 1211/8, p. 11)

 

      88. De omzendbrief nr. 2/94 van 10 januari 1994 van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Bergen, die op dit punt betrekking heeft, stelt met name:

 

            "Hieruit volgt dat, in de hypothese waarin een stuitingshandeling plaatsvindt vooraleer de verjaring van de strafvordering is bereikt, de verjaringstermijn met vijf jaar wordt verlengd vanaf de laatste nuttige stui­tingshandeling."

 

      89. Artikel 22 van de wet van 17 april 1878 hou­dende de voorafgaande titel van het Wetboek van Straf­vordering, dat niet bij de wet van 24 december 1993 is gewijzigd, luidt als volgt:

 

            "De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging ver­richt binnen de in het vorige arti­kel gestelde termijn.

 

            Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren."

 

      90. Artikel 190, tweede lid, van het Wetboek van Straf­vordering bepaalt hetgeen volgt wat betreft het verloop van het onderzoek ter terechtzitting voor de correctionele recht­bank:

 

            "De procureur des Konings, de burgerlijke partij of haar raadsman, zetten de zaak uiteen; de processen-ver­baal of verslagen, indien er opgemaakt zijn, worden door de griffier voorgele­zen, de getuigen voor en tegen worden gehoord, indien daartoe grond bestaat, en de wrakingen worden voorgedragen en er wordt over beslist; de stukken die tot overtuiging of tot ontlasting kunnen dienen, worden aan de getuigen en aan de partijen vertoond; de beklaagde wordt onder­vraagd; de beklaagde en de burger­rechtelijk aan­sprakelijke personen dragen hun verdediging voor; de procureur des Konings vat de zaak samen en neemt zijn conclusie; de beklaagde en de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke personen kunnen antwoor­den."

 

      91. De samenhang heeft zijn grondslag in de arti­kelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering.

      Artikel 226 bepaalt dat het Hof van Beroep "bij een en hetzelfde arrest [beslist] over de samenhangen­de misdrijven waarvan de stukken tezelfdertijd zijn voorgelegd".

      Van zijn kant bepaalt artikel 227:

 

            "Misdrijven zijn samenhangend, hetzij wan­neer zij tegelijkertijd gepleegd zijn door ver­scheidene personen te zamen, hetzij wanneer zij gepleegd zijn door verschil­lende personen, zelfs op onderscheiden tijdstippen en op onderscheiden plaatsen, maar ten gevolge van een door hen tevo­ren gemaakte afspraak, hetzij wanneer de schuldi­gen het ene misdrijf hebben gepleegd om zich de middelen te verschaffen tot het plegen van de andere, om de uitvoe­ring ervan te vergemakkelij­ken of te voltooien, of om de straffeloosheid ervan te verzekeren."

 

 

IN RECHTE

 

I.    TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDINGEN VAN ARTI­KEL 6 VAN HET VERDRAG, AFZONDERLIJK BESCHOUWD EN IN SAMENHANG GELEZEN MET DE ARTIKELEN 13 en 14

 

      92. De verzoekers, die zich op artikel 6 van het Verdrag beroepen, beweren in verscheidene opzichten, tijdens de tegen hen ingestelde strafrechtelijke ver­volgingen, een weigering van eerlijk proces en aantas­tingen van de rechten van de verdediging te hebben ondergaan. Hierbij zou tevens inbreuk zijn gepleegd op de artikelen 13 en 14 van het Verdrag.

      De relevante bepalingen van artikel 6 van het Verdrag luiden als volgt:

 

            "1. Bij [...] het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is inge­steld. [...]

 

            2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt.

 

            3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rech­ten:

 

            [...]

 

            b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorberei­ding van zijn verdedi­ging;

 

            [...]"

 

      93. De vereisten van de leden 2 en 3, onder b), van artikel 6 zijn elementen van het algemene begrip "eerlijk proces", dat is verankerd in lid 1 (zie onder meer de arresten Van Geyseghem t. België [GC], nr. 26103/95, § 27, EHRM 1999-I, en Poitrimol t/ Frankrijk van 23 november 1993, serie A, nr. 277-A, p. 13, § 29). Het Hof is van oordeel dat het gepast is de grie­ven te onderzoeken in het licht van lid 1 van artikel 6, door die bepaling indien nodig te combineren met de andere leden ervan en met de overige bepalingen van het Verdrag, dit als volgt luiden:

 

Artikel 13 - Recht op daadwerkelijke rechtshulp

 

            "Eenieder wiens rechten en vrijheden, welke in [het] Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie, zelfs indien deze schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie."

 

Artikel 14 - Discriminatieverbod

 

            "Het genot van de rechten en vrijheden, welke in [het] Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappe­lijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status."

 

 

      A. De ontstentenis van toepassingswet

 

      94. De verzoekers beweren dat hun berechting door het Hof van Cassatie, bij ontstentenis van een toepas­singswet van artikel 103 van de Grondwet, afbreuk heeft gedaan aan artikel 6, leden 1, 2, 3, onder b) van het Verdrag.

      De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau voe­gen eraan toe dat de beslissing om de vervolgingen samen te voegen vanwege het bestaan van een band van samenhang, een schending vormt van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en een discrimina­tie in strijd met artikel 14 van het Verdrag.

      95. Het Hof zal achtereenvolgens de situatie van de Heer Coëme en van de andere verzoekers onderzoeken.

 

      1. De situatie van de Heer Coëme

 

      96. Zoals de andere verzoekers, wijst de Heer Coëme erop dat de regels die de procedure regelen welke door het Hof van Cassatie moest worden gevolgd, niet waren bepaald bij de wet, noch bij de Grondwet. Hij leidt hieruit af dat het Hof van Cassatie bijge­volg tegelijkertijd wetgever en rechter is geweest, met miskenning van artikel 6, lid 1, van het Verdrag. Hij verklaart dat iedere rechtsprekende overheid on­derworpen moet zijn aan vormvoorschriften die bestemd zijn om voor de rechtzoekenden de hoge waarde van de uitspraak van de rechter te waarborgen en de rechten van de verdediging te verzekeren, hetgeen de Kamer van volksvertegenwoordigers in 1865 wel degelijk had be­grepen. De ontstentenis van wet die de procedu­re re­gelt heeft te dezen het Hof van Cassatie ertoe ge­bracht een ad hoc procedure in het leven te roepen om de lacunes van de wetgever aan te vullen. Door zelf de toepasselijke procedu­reregels uit te vaardigen, al was het bij verwijzing, heeft het Hof van Cassatie klaar­blijkelijk het beginsel van de scheiding der machten, de totstandkoming en de toepassing van de strafwet miskent. Zelfs als, bij uitsluiting, de door het Hof van Cassatie gevolgde procedure niet die kon zijn waarin in strafzaken is voorzien, volstaat die omstan­digheid niet om tegemoet te komen aan het vereiste van een toegankelijke en voorzienbare procedure.

      Volgens de Heer Coëme heeft die omstandigheid ook afbreuk gedaan aan artikel 6, lid 2, in zoverre die bepaling zou voorzien in het beginsel "nullum judicium sine lege".

      97. De Regering betoogt dat men niet zou kunnen afleiden dat de procedure voor het Hof van Cassatie niet was gedefi­nieerd door het nationale recht vanwege het loutere feit dat de te volgen procedure voor de berechting van de ministers niet was bepaald door de Grondwet, noch door een toepassings­wet. De te volgen procedure was die welke voor de gewone correctionele procedure bestaat, hetgeen volkomen voorzienbaar was rekening houdend met de lering van rechtspraak en rechts­leer alsmede met de omstandigheid van de drie andere procedu­res - die waarin respectievelijk is voorzien door het hof van assisen, de jeugdgerechten en de militaire rechtscolleges - duidelijk niet van toepassing waren. Het Hof van Cassatie is dus niet opgetreden als wetgever ad hoc, noch is het buiten de perken getreden van een redelijke interpretatie van het be­staande recht door de gewone correctionele pro­cedure toe te passen, mits enkele aanpassingen die noodzakelijk waren ge­maakt door het vereiste van de Grondwet dat dit hof in ver­enigde kamers zitting moet nemen.

      98. Het Hof herinnert allereerst eraan dat het doel van het Verdrag "erin bestaat, niet theoretische of illusoire rechten, maar concrete en daadwerkelijke rechten te bescher­men; de opmerking geldt inzonderheid voor [de rechten] van de verdediging ten aanzien van de eminente rol die het recht op een eerlijk proces, waarvan ze zijn afgeleid, in een democra­tische samen­leving speelt" (arrest Artico t. Italië van 13 mei 1980, serie A, nr. 37, pp. 15-16, § 33). Volgens de recht­spraak heeft de invoering van de woorden "welke bij de wet is ingesteld" in artikel 6 van het Verdrag "tot doel te vermijden dat de organisatie van het gerechtelijk systeem aan de discre­tionaire beslissing van de uitvoerende macht zou worden over­gelaten en ervoor te zorgen dat die aangelegenheid zou worden geregeld door een wet van het Parlement" (Zand t. Oostenrijk, verzoekschrift nr. 7360/76, verslag van 12 oktober 1978, Beslissingen en verslagen (DR) 15, pp. 70, 80). In landen met gecodificeerd recht kan de organisatie van het gerechtelijk systeem evenmin wor­den overgelaten aan de discretionaire beslissing van de gerechtelijke overheden, hetgeen evenwel niet uit­sluit dat hun een zekere bevoegdheid tot interpretatie van de nationale wetgeving ter zake wordt erkend.

      99. Een rechtbank "wordt in materiële zin geken­merkt door haar jurisdictionele rol: het beslechten, op basis van rechts­normen en na afloop van een georga­niseerde procedure, van ieder vraagstuk dat tot haar bevoegdheid behoort" (arrest Belilos t. Zwitserland van 29 april 1988, serie A, nr. 132, p. 29, § 64). Zij moet ook aan een aantal andere voorwaarden voldoen, zoals de onafhankelijkheid en de duur van het mandaat van haar leden, alsmede de onpartijdigheid en het bestaan van waarborgen geboden door de rechtspleging. Het leidt geen enkele twijfel dat het Hof van Cassa­tie, dat in het Belgische recht het enige bevoegde rechtscollege was om de Heer Coëme te berechten, een "bij de wet ingestelde rechterlijke instantie" was (zie, mutatis mutandis, Prosa en anderen t. Denemar­ken, verzoekschrift nr. 20005/92, beslissing van 27 juni 1996, niet bekendgemaakt).

      100. Het Hof wijst erop dat geen enkele toepas­singswet van artikel 103 van de Grondwet van kracht was op de dag waarop de verzoekers werden opgeroepen om te verschijnen voor het Hof van Cassatie teneinde zich te verantwoorden voor de misdrijven die hun wer­den verweten (paragrafen 75, 80 en 81 hiervoor). Para­graaf 2 van artikel 103 nodigde de wetgever echter uit om de modaliteiten van de procedure voor het Hof van Cassatie te regelen en artikel 139 van de Grondwet van 7 februari 1831 drong aan op de noodzaak om dit binnen de kortst mogelijke termijn te doen. Niettemin bevond de Heer Coëme, bijgestaan door zijn raadslieden, zich niet in een situatie van volstrekte onwetendheid ten aanzien van de procedureregels die in dat proces van toepassing zouden zijn. Hij kon er niet onwetend van zijn dat de gewone correctionele procedure naar alle waarschijnlijkheid zou worden gevolgd, gegrond op het onderzoek van rechtsleer en rechtspraak, zelfs indien deze rechtspraak was beperkt tot het arrest van het Hof van Cassa­tie van 12 juli 1865 (paragraaf 79 hier­voor). Hij kon ook rekening houden met artikel 7 van de wet van 19 juni 1865, ook al ging het in dit geval slechts om een gelegenheidswet. Dit is trouwens de conclusie waartoe de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie zelf zou zijn gekomen en die hij zou hebben medegedeeld aan de raadslieden van sommige van de verzoekers tijdens het onderhoud van 3 november 1995. Reeds bij de ope­ning van de terechtzitting van 5 februari 1996 (paragraaf 41 hiervoor) heeft de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie zelf bevestigd dat de gewone correctionele procedure zou worden gevolgd, waarbij werd gepreciseerd dat het onderzoek zou ge­schieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering.

      101. De Regering heeft evenwel erkend dat de gewone correctionele procedure niet als dusdanig kon worden aangeno­men door het Hof van Cassatie zitting houdende in verenigde kamers. In zijn tussenarrest van 12 februari 1996 (paragraaf 46 hiervoor) heeft het Hof van Cassatie immers geoordeeld dat de regels die de gewone correctionele procedure beheersen slechts zou­den worden toegepast voor zover zij verenigbaar zijn "met de bepalingen die de rechtspleging regelen voor het Hof van Cassatie, zitting houdende met verenigde kamers". Hieruit volgt dat de partijen niet bij voor­baat alle modali­teiten hebben kunnen kennen van de procedure die zou worden gevolgd. Zij konden niet voorzien op welke manier het Hof van Cassatie ertoe zou worden gebracht de bepalingen te amenderen of te wijzigen die het normale verloop van een strafproces organiseren, zoals zij zijn vastgesteld door de Belgi­sche wetgever.

      Dusdoende heeft het Hof van Cassatie een element van onzekerheid geïntroduceerd door niet te specifi­ren welke de regels waren die door de aangenomen restrictie waren bedoeld. Zelfs in de veronderstelling dat het Hof van Cassatie geen gebruik zou hebben ge­maakt van de mogelijkheid die het zich heeft gelaten om sommige wijzigingen aan te brengen in de regels die de gewone correctionele procedure beheersen, werd de taak van de verdediging bijzonder bemoeilijkt bij ontsten­tenis van de voorafgaande wetenschap of een gegeven regel al dan niet toepassing zou vinden in de loop van het proces.

      102. Het Hof herinnert eraan dat het beginsel van de legaliteit van het recht betreffende de strafvorde­ring een algemeen rechtsbeginsel is. Het is de tegen­hanger van de legaliteit van het strafrecht en is verankerd in het adagium "nullum judicium sine lege". Dit beginsel legt op substantieel vlak bepaalde eisen op met betrekking tot het verloop van de procedure, teneinde de waarborg van het eerlijk proces te verze­keren, hetgeen de inachtneming van de wapengelijkheid impliceert. Deze omvat de verplichting om aan elke partij een redelijke mogelijkheid te bieden om haar zaak naar voren te brengen onder omstandigheden die ze niet plaatst in een situa­tie van duidelijke benadeling ten opzichte van haar tegenstre­ver (zie onder meer het arrest De Haes en Gijsels t. België van 24 februari 1997, Recueil des arrêts et décisions, 1997-I, p. 238, § 53). Het Hof herinnert tevens eraan dat de reglemen­tering van de procedure in de eerste plaats tot doel heeft de vervolgde persoon te beschermen tegen risi­co's van machtsmis­bruik en dat het dus de verdediging is die het meest vatbaar is om te lijden te hebben onder de lacunes en onduidelijkheid van een dergelijke reglementering.

      103. Bijgevolg is het Hof van oordeel dat de onzekerheid die heeft bestaan vanwege de ontstentenis van vooraf vastge­stelde procedureregels de verzoeker in een situatie van duide­lijke benadeling heeft ge­plaatst ten opzichte van het openbaar ministerie, zodat de Heer Coëme verstoken was van een eerlijk proces in de zin van artikel 6, lid 1, van het Ver­drag.

      104. Onder die omstandigheden acht het Hof het niet noodzakelijk uitspraak te doen over de beweerde schending van de leden 2 en 3, onder b), van deze bepaling, aangezien de op dit punt naar voren gebrach­te argumenten in wezen samenvallen met die welke onder paragraaf 1 zijn onderzocht.

 

      2. De situatie van de andere verzoekers

 

      105. De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau beweren bovendien dat de beslissing om de vervolgingen samen te voegen vanwege het bestaan van een band van samenhang, ze tegen hun wil heeft afgetrokken van de rechter die de wet hun toekent, met miskenning van artikel 6, lid 1, van het Verdrag, hetgeen een discri­minatie vormt die strijdig is met artikel 14 van het Verdrag, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, ervan.

      De verzoekers herinneren eraan dat noch de Grond­wet noch de wet bevoegdheid verlenen aan het Hof van Cassatie om kennis te nemen van de vervolgingen tegen andere personen dan een minister. Hun natuurlijke rechter was de correctionele recht­bank, hetgeen zowel blijkt uit de tekst zelf van artikel 103 van de Grond­wet als uit die van artikel 13 ervan, afzonderlijk beschouwd of in samenhang gelezen met artikel 147 ervan. De beslissing van het Hof van Cassatie met betrekking tot de beweerde samenhang, die onvoldoende is gemotiveerd, vormt een van het gemeenrecht afwij­kende behandeling en heeft afbreuk gedaan aan hun rechten van de verdediging doordat hun zonder redelij­ke verantwoording een geheel van substantiële waarbor­gen werd ontzegd die iedere andere beklaagde zou heb­ben geno­ten en die de Heer Coëme, die tegelijkertijd met hen werd berecht, gedeeltelijk zou hebben genoten in het kader van het onderzoek door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

      106. Wat de samenhang betreft beklemtoont de Regering dat de regels van de samenhang vervat in de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvorde­ring, in alle strafzaken van toepassing zijn. De rech­tsleer en de rechtspraak zijn in dit verband unaniem en reeds lang gevestigd. De Heren Coëme en Javeau waren evenwel vervolgd als mede-auteurs of medeplich­tigen van sommige misdrijven en de overige verzoekers wegens diverse misdrijven begaan in het kader van de activiteiten van de vereniging "U". Zelfs als de sa­menvoeging zich niet aan de rechter opdrong, was zij in deze zaak ofwel ruimschoots ver­antwoord om het risico van tegenstrijdige beslissingen te vermijden, ofwel wenselijk om redenen van coherentie, van proce­seconomie, kortom van goede rechtsbedeling. Het ging om een volkomen redelijke en rationele keuze, die het mogelijk maakte het strafbaar gedrag van de verschil­lende verdachten beter te meten en te omlijnen; de verzoekers kunnen zich niet erover beklagen dat de bevoegdheid van het Hof van Cassatie om hen te berech­ten niet bij de wet zou zijn bepaald of niet te voor­zien zou zijn geweest.

      107. Eraan herinnerende dat de organisatie van het ge­rechtelijk systeem alsmede de bevoegdheid in strafzaken niet aan de beoordeling van de rechterlijke macht kunnen worden overgelaten, stelt het Hof vast dat het artikel 103 van de Grondwet is, dat tot aan de hervorming van 1998 (paragrafen 68 en 69 hiervoor), bij wijze van uitzondering, voorzag in de berechting van de ministers voor het Hof van Cassatie. Geen enke­le bepaling voorzag evenwel in de mogelijkheid om de rechtsmacht van dat Hof uit te breiden tot andere verdachten dan ministers voor misdrijven die samenhan­gen met die waarvoor de ministers werden vervolgd (zie, a contrario, verzoekschrif­ten nrs. 8603/79, 8722/79, 8723/78 en 8729/79 (samengevoegd), beslissing van 18 december 1980, DR 22, pp. 147, 178-179). De noodzaak van het bestaan van een dergelijke bepaling blijkt des te meer daar op dit ogenblik de kwestie voortaan lijkt te zijn geregeld door artikel 29, eer­ste lid, van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, die bepaalt dat "de mede­daders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor de minister wordt vervolgd en de daders van samenhangende mis­drijven [...] samen met de minister [worden] vervolgd en berecht" (paragraaf 69 hiervoor).

      Het is juist, zoals de regering betoogt, dat de toepas­sing van de regels van de samenhang, waarin in België bij de artikelen 226 en 227 van het Wetboek van Strafvordering is voorzien, kon worden beoogd in het licht van de lering van rechtsleer en rechtspraak en inzonderheid van het arrest van het Hof van Cassatie van 12 juli 1865, ook al was dit laatste gewezen ter zake van een duel en preciseert het arrest dat "het duel een ondeelbaar complex feit is" en dat " de on­deel­baarheid van de rechtspleging een noodzakelijk gevolg van de ondeelbaarheid van het wanbedrijf is" (paragraaf 79 hiervoor). Die aanwijzingen maken het niet mogelijk te dezen te oordelen dat in de samenhang was "voorzien bij de wet", temeer daar het Hof van Cassatie, de hoogste rechtsplegende overheid in België, zelf had beslist, bij ontstentenis van saisine van het Arbitragehof, dat het feit dat personen worden uitgenodigd om voor het Hof van Cassatie te verschij­nen die nooit ministeriële functies hadden uitgeoe­fend, voortvloeide uit artikel 103 van de Grondwet, veeleer dan uit de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering of van het Gerechtelijk Wetboek (para­graaf 47 hiervoor).

      108. In zoverre in de samenhang niet was voorzien bij de wet, is het Hof van oordeel dat het Hof van Cassatie geen "bij de wet ingestelde" rechterlijke instantie was in de zin van artikel 6 om de vervolgin­gen tegen die vier andere verzoekers te onderzoeken. Gelet op die conclusie acht het Hof het onno­dig uit­spraak te doen over de beweerde schending van artikel 14, aangezien de op dit punt naar voren gebrachte argumenten in wezen samenvallen met die welke bij artikel 6 zijn onder­zocht.

      109. Wat betreft de grief van die vier verzoeken­de par­tijen afgeleid uit de ontstentenis van procedu­rewet en uit de daaruit voortvloeiende onzekerheid acht het Hof, rekening houdende met de hiervoor aange­nomen conclusie, het niet nood­zakelijk zich hierover uit te spreken.

      110. Tot besluit stelt het Hof vast dat er, in hoofde van de Heer Coëme en van de andere verzoekers, schending is ge­weest van artikel 6, lid 1.

 

 

      B. De prejudiciële vragen aan het Arbitragehof

 

      111. De Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau beweren dat de weigering van het Hof van Cassatie om aan het Arbitra­gehof prejudiciële vragen te stellen over de samenhang en de verlenging van de verjarings­termijn door willekeur is aange­tast en inbreuk maakt op de artikelen 6, lid 1, en 13 van het Verdrag. De in wezen door de Heer Coëme geformuleerde grief is be­perkt tot de prejudiciële vraag met betrekking tot de verja­ring.

      112. Volgens de verzoeken verplichtte artikel 26, § 2, van de wet van 6 januari 1989 het Hof van Cassa­tie ertoe aan het Arbitragehof de voorgestelde preju­diciële vragen te stel­len, waarvan het ernstige karak­ter niet in het geding kon worden gebracht. Die ver­plichting strekt uitdrukkelijk ertoe het monopolie te waarborgen waarover het Arbitragehof beschikt inzake grondwetsinterpretatie, alsmede ieder risico van wil­lekeur te vermijden in de beoordelingen die het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt in dit verband zou kunnen geven. Het willekeurige karak­ter van de weigering om de preju­diciële vragen te stellen blijkt eveneens uit de flagrante tegenstellin­gen die tot uiting komen in de arresten van het Hof van Cassatie en die van zijn procureur-generaal waarop dat Hof zich heeft gebaseerd. De verzoekers voegen eraan toe dat zij met hun verzoeken duidelijk een beroep hadden ingesteld in de zin van artikel 13 van het Verdrag, vermits die verzoeken precies ertoe strekten aan een hiervoor geschikte instantie het onderzoek voor te leggen van schendingen van rechten en vrijheden die zijn erkend door het Verdrag (artike­len 6 en 14), alsmede door de Belgische Grondwet.

      113. De Regering verklaart van haar kant dat wanneer het nationale recht voorziet in een systeem van prejudiciële vragen, het redelijk en logisch is dat de rechter bij wie een verzoek in die zin is inge­diend, onderzoekt of hij ertoe gehouden is de voorge­stelde vraag te stellen. Het is in over­eenstemming met de werking van alle mechanismen van prejudi­ciële vraagstelling dat de rechter nagaat of hij een derge­lijke vraag kan of moet stellen. In het Belgische systeem zal de rechter met name nagaan of de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wel degelijk voortvloeit uit een norm die aan het Arbitragehof ter toetsing kan worden voorgelegd krach­tens de bijzondere wet van 6 januari 1989. De grieven van de verzoekers hebben betrekking op de aan artikel 26, § 2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof te geven interpretatie. Dusdoende vragen zij het Hof een punt opnieuw te onderzoeken dat enkel tot het nationa­le recht behoort, hetgeen niet binnen zijn bevoegdheid valt. Zelfs als zij werd betwist, is echter de beslis­sing van het Hof van Cassatie om de gevraagde prejudi­ciële vragen niet te stellen, redelijk en geeft zij geenszins blijkt van enige willekeur, zodat zij geen inbreuk zou kunnen maken op artikel 6 van het Verdrag. Zij zou evenmin inbreuk kunnen maken op artikel 13 ervan, aangezien het mechanisme van de prejudiciële vragen niet kan worden beschouwd als zijnde een rechtsmiddel.

      114. Het Hof merkt in de eerste plaats op dat het Verdrag niet als dusdanig een recht waarborgt op pre­judiciële verwij­zing van een zaak door een nationaal rechtscollege naar een andere nationale of internatio­nale instantie. Het herinnert ook aan zijn rechtspraak volgens welke een "recht op een rechtbank" waarvan het recht van toegang een bijzonder aspect vormt, niet absoluut is en zich leent tot impliciet aanvaarde beperkingen, met name ten aanzien van de voorwaarden van ontvankelijkheid van een beroep, aangezien het vanuit zijn aard zelf een reglementering vereist door de Staat, die in dit verband over een zekere beoorde­lingsmarge beschikt (zie o.m. het arrest Brualla Gomez de la Tiorre t. Spanje van 19 decem­ber 1997, Recueil, 1997-VIII, p. 2955, § 33). Het recht om een zaak door middel van een prejudiciële vraag bij een rechtbank aanhangig te maken, kan evenmin absoluut zijn, zelfs wanneer een wetgeving een juridisch domein aan de enkele beoordeling van een rechtbank voorbehoudt en voor de andere rechtscolleges voorziet in de verplich­ting om aan haar, zonder voorbehoud, alle daarop be­trekking hebbende vragen voor te leggen. Zoals de Regering beweert is het in overeenstemming met de werking van een dergelijk mechanisme dat de rechter nagaat of hij een prejudiciële vraag kan of moet stel­len, door zich ervan te vergewissen of die vraag moet worden opgelost om hem ertoe in staat te stellen het geschil te beslechten waarover hij uit­spraak moet doen. Afgezien hiervan is het niet uitgesloten dat onder bepaalde omstandigheden de weigering van een nationaal rechtscollege dat ertoe geroepen dit in laatste aanleg uit te spreken, afbreuk kan doen aan het beginsel van de billijkheid van de procedure, zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, van het Verdrag, inzonderheid wanneer een dergelijke weigering door willekeur blijkt te zijn aangetast (Dotta t. ItalIë (besl.), nr. 38399/97, 7 september 1999 (niet bekend­gemaakt); Predil Anstalt S.A. t. Italië (besl.), nr. 31993/96, 8 juni 1999 (niet bekendgemaakt).

      115. Het Hof is van oordeel dat dit te dezen niet het geval is. Het Hof van Cassatie heeft immers de grieven van de verzoekers in aanmerking genomen met betrekking tot de toepas­sing van de regels van de samenhang en de wet van 24 december 1993, alsmede hun verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof. Het heeft zich vervolgens uitgesproken in voldoende gemotiveerde beslissingen die niet door willekeur blijken te zijn aangetast. Het Hof herinnert bovendien eraan dat de interpretatie van de interne wetgeving in de eerste plaats toekomt aan de nationale overheden, en met name aan hoven en rechtbanken (zie arrest Brualla Gomez de la Torre, voormeld, p. 2955, § 31, en Edificaciones March Gallego S.A. t. Spanje van 19 februari 1998, Recueil, 1998-1, p. 288, § 29).

      116. Tot besluit oordeelt het Hof dat de weige­ring om prejudiciële vragen te stellen geen afbreuk heeft gedaan aan artikel 6, lid 1.

      117. Gelet op deze beslissing met betrekking tot artikel 6, lid 1, acht het Hof het niet nodig de zaak te onderzoeken vanuit de gezichtshoek van artikel 13 van het Verdrag. De vereisten van die bepaling zijn immers minder strikt dan die van artikel 6, lid 1, en zij worden te dezen hierdoor geabsor­beerd (zie onder meer het arrest Pudas t. Zweden van 27 okto­ber 1987, serie A, nr. 125-A, p. 17, § 43, en het arrest Hent­rich t. Fran­krijk van 22 september 1994, serie A? nr. 296-A, p. 24, § 65).

 

 

      C. Een onafhankelijk en onpartijdige rechterlijke instan­tie

 

      118. De Heren Mazy en Stalport beweren dat het Hof van Cassatie niet zou kunnen worden beschouwd als een onafhanke­lijke en onpartijdige rechterlijke in­stantie in de zin van artikel 6, lid 1 van het Ver­drag, waarbij zij met name verwij­zen naar de rol die gewoonlijk is toebedeeld aan het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie en naar zijn rol in het voe­ren van onderhavige zaak. Zij stellen allereerst vast dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie een vergadering heeft gehouden op 3 november 1995. In de loop van die vergade­ring heeft hij de deelnemers met name ter kennis gebracht dat de procedure zou verlopen volgens de gewone regels van het Wetboek van Strafvor­dering, hetgeen werd bevestigd op de eerste terecht­zitting die door het Hof van Cassatie werd gehouden. Dit betekent dat de procureur-generaal voorafgaande­lijk minstens op de hoogte was gesteld van de keuze van de rechtspleging door het Hof van Cassatie. Ver­volgens herinne­rende aan de taak die traditioneel is toebedeeld aan het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie - die het Hof heeft kunnen beoordelen bij zijn onderzoek van de zaken Del­court, Borgers, Vermeu­len en Van Orshoven (arresten Delcourt t. België van 17 januari 1970, serie A, nr. 11; Borgers t. België van 30 oktober 1991? serie A, nr. 214-B; Vermeulen t. België van 20 februari 1996, Recueil 1996-I, en Van Orshoven t. België van 25 juni 1997, Recueil 1997-III) - en met name de traditionele praktijk van deelneming van het parket aan het opstellen van de arresten van het Hof, wijzen zij erop dat de verwarring van de rollen respectievelijk zijn toebedeeld aan het Hof van Cassatie en aan zijn parket, bijzonder frappant is. De Regering zou moeilijk kunnen verantwoorden dat welke maatregelen dan ook zijn genomen om een noodzakelijke afstand tot stand te brengen tussen het Hof van Cassa­tie en zijn openbaar ministerie, dat te dezen als vervolgende partij optrad. Zij wijzen integendeel erop dat de vertegenwoordigers van het openbaar ministerie tijdens de terechtzittingen plaats hadden genomen op de estrade op hetzelfde niveau als het Hof en dat zij de zittingzaal binnenkwamen en verlieten in het gezel­schap van de raadsheren van het Hof van Cassatie. Zij achten het ook symptomatisch dat de namen van de per­sonen die dit hoge rechtscollege samenstellen en de vertegenwoordigers van zijn parket in eenzelfde para­graaf waren weergegeven in de processen-verbaal van terechtzitting (paragraaf 51 hiervoor) en dat het arrest van dat Hof nagenoeg een reproductie is van de vordering van het openbaar ministerie.

      119. Wat de onafhankelijkheid en de onpartijdig­heid van het Hof van Cassatie betreft, beweert de Regering dat de verzoekers geen enkel bewijs leveren van concrete elementen of gebeurtenissen ter staving van hun stelling. Deze verwijst naar een "traditionele praktijk" van deelneming van het parket aan het op­stellen van de arresten van het Hof van Cassatie, die een einde heeft genomen op de dag zelf van de arresten Borgers (in strafzaken) en Vermeulen (in burgerlijke zaken). De Regering wijst allereerst erop dat het Hof van Cassatie nog niet was samengesteld op 3 november 1995: de negentien magi­straten (vijftien werkende en vier plaatsvervangende) zijn pas aangewezen enkele weken voor de eerste terechtzitting van 5 februari 1996. Het was bijgevolg materieel onmogelijk dat het openbaar ministerie over de gekozen procedure zou zijn inge­licht door een nog niet samengesteld rechtscolle­ge. Het is evenwel duidelijk dat de door de procureur-generaal vermelde procedure de enig mogelijke en voor­zienbare was. De Regering wijst eveneens erop dat de twee magistraten van het parket niet zitting namen op dezelfde bank als het Hof van Cassatie zelf, maar een aparte zetel hadden, tegenover die van de twee grif­fiers en dichter bij de plaats van de advocaten dan bij de bank van het Hof. Tijdens het hele verloop van de debatten en van het beraad hebben die twee magi­straten zich overigens onthouden van ieder contact met het Hof buiten de terechtzit­tingen. Tenslotte heeft het Hof van Cassatie herhaaldelijk blijk gegeven van zijn onafhankelijkheid ten opzichte van het parket. Op 12 februari 1996 heeft het met name het parket, vol­gens de Heren Javeau en Stalport zelf, uitgenodigd zijn opmerkingen te kennen te geven in een uiteenzet­ting van de zaak zonder hiervan een vordering te maken (paragraaf 50 hiervoor) en het heeft niet de suggestie van het parket ge­volgd om de verdediging te horen vóór het verhoor (paragraaf 51 hiervoor). De convergentie van het arrest met de vorderin­gen zou geen gewettigde twijfel kunnen opleveren ten aanzien van de onpartij­digheid van het Hof van Cassatie.

      120. Het Hof herinnert eraan dat, om vast te stellen of een rechtbank kan doorgaan als "onafhanke­lijk" in de zin van artikel 6, lid 1, met name reke­ning moet worden gehouden met het bestaan van een bescherming tegen externe druk en met het feit of er al dan niet een schijn van onafhankelijkheid be­staat (zie, onder vele andere, de arresten Findlay t. Ver­enigd Koninkrijk van 25 februari 1997, Recueil, 1997-I, p. 281, § 73, en Incal t. Turkije van 9 juni 1998, Recueil, Recueil, 1998-IV, p. 1571, § 65). Het Hof wijst in dit verband erop dat de vaststellingen van het arrest Delcourt in verband met de onafhankelijk­heid van het Hof van Cassatie en van zijn parket hun volledige geldigheid behouden (arrest Delcourt, voor­meld, pp. 17-19, §§ 32-38).

      121. De onpartijdigheid in de zin van artikel 6, lid 1, wordt van haar kant beoordeeld volgens een dubbele stap: de eerste bestaat erin te trachten de persoonlijke overtuiging van een zekere rechter bij een zekere gelegenheid te bepalen; de tweede leidt ertoe zich ervan te vergewissen dat hij vol­doende waarborgen bood om iedere gewettigde twijfel in dat opzicht uit te schakelen (zie onder andere, mutatis mutandis, het arrest Gautrin en anderen t. Frankrijk van 20 mei 1998, Recueil 1998-III, pp. 1030-1031, § 58). Enkel de twee stap is te dezen relevant. Ter zake kan evenwel de schijn van belang zijn. Het gaat om het vertrouwen dat de rechtbanken in een democratische samenleving, de rechtzoekenden moeten inboeze­men, en in de eerste plaats in strafzaken de beklaagden ( zie onder meer de arresten Hauschildt t. Denemarken van 24 mei 1989, serie A, nr. 154, p. 21, § 48, en Pullar t. Verenigd Koninkrijk van 10 juni 1996, Recueil 1996-III, p. 794, § 38). Om zich uit te spreken over het bestaan van een gewettigde reden om te vrezen dat er in hoofde van een rechtscollege een gebrek aan onaf­hankelijkheid of onpartijdigheid bestaat, wordt het standpunt van de beschuldigde in aanmerking genomen, zonder dat dit evenwel een beslissende rol kan spelen. Het doorslaggevende element bestaat erin of de vrees van de be­trokkene kan doorgaan als zijnde objectief verantwoord (zie mutatis mutandis, de voormelde arres­ten Hauschildt en Gautrin en anderen, ibidem).

      122. Het Hof heeft dus als taak te onderzoeken of de verzoekers objectief een gewettigde reden hadden om te vrezen dat er een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid zou zijn vanwege het Hof dat hen be­rechte. In dit opzicht ziet het Hof geen enkele om­standigheid die van die aard is dat de vrees zou kun­nen worden verantwoord die de betrokkenen afleiden uit het feit dat de procureur-generaal, tijdens de verga­dering van 3 november 1995, de procedure had gepreci­seerd die zou worden gevolgd. Het lijkt daadwerkelijk dat die informatie zou zijn gegeven op een ogenblik waarop de magistraten die geroepen waren om in de zaak zitting te nemen, nog niet waren aangewe­zen en zich nog niet hadden kunnen buigen over het probleem dat zich in dit verband voordeed vanwege het tekortschie­ten van de wetgever. Overigens verantwoordt geen enke­le omstandig­heid de vrees van het bestaan van zekere banden van onderwer­ping of afhankelijkheid van het Hof van Cassatie ten opzichte van zijn openbaar ministerie die de verzoeker afleiden uit de andere elementen die zij hebben vermeld. Volgens het Hof zijn de twee om­standigheden die zijn aangevoerd door de Regering ter staving van haar stelling dat het Hof van Cassatie auto­noom is ten opzichte van het parket, en inzonder­heid de bewe­ring van de Heren Javeau en Stalport met betrekking tot de tussenkomst van de eerste voorzitter tijdens de uiteenzetting van de zaak door het openbaar ministerie, van die aard dat iedere wettige grondslag wordt ontnomen aan de twijfel die de verzoeker in dit verband hebben kunnen koesteren.

      123. Tot besluit dient te worden gesteld dat de verzoe­kers geen gewettigde twijfel konden hebben ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Hof van Cassatie.

 

 

      D. Het verhoor van de Heer Stalport op 16 maart 1994

 

      124. De Heer Stalport heeft zich ook erover be­klaagd veroordeeld te zijn op basis van zijn verkla­ringen van 16 maart 1994, hetgeen hem de waarborgen van een eerlijk proces zou hebben ontnomen. Hij ver­klaart over de hem ten laste gelegde feiten enkel te zijn gehoord tijdens zijn verhoor van 16 maart 1994, in het kader van de procedure die moest worden gevoerd ten laste van minister M. Aangezien hij werd gehoord als getuige, werd hij niet ingelicht over het feit dat hij het recht had om niet te antwoorden op de vragen die hem werden gesteld. Hij werd nooit gehoord in hoedanigheid van verdachte nadat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie vervol­gingen te zijnen laste had ingesteld. Ten slotte heeft het Hof van Cassatie uitdrukkelijk sommige van zijn verklaringen afgelegd op 16 maart 1994 in aanmerking genomen als zijnde een bekentenis, waarbij het zich met name als volgt uit­drukte bij zijn onderzoek van hetgeen hem ten laste werd gelegd: "Overwe­gende dat uit de verklaringen van Jean-Louis Stalport (...) blijkt dat de splitsing bedoeld was om het verplichte advies van de inspecteur van financiën te omzeilen". Hij herinnert eraan dat in de zaak Murray (arrest John Murray t. Verenigd Konink­rijk van 8 februari 1996, Recueil 1996-1, p. 49, § 45), het Hof heeft overwogen dat "om te zwijgen tij­dens een poli­tieverhoor en het recht om zichzelf niet te beschuldigen algemeen erkende internationale normen zijn die de kern van het begrip 'eerlijk proces' ver­ankerd in artikel 6 raken".

      125. Volgens de Regering is het niet aangetoond dat de Heer Stalport op welk ogenblik dan ook ertoe gedwongen was - of ertoe gedwongen had kunnen zijn - bij te dragen tot zijn eigen beschuldiging. Het is een officier van politie die is overgegaan tot verhoor, op 16 maart 1994, en dit werd verricht zonder eedafleg­ging. De Heer Stalport, wiens veroordeling niet enkel berust op zijn verklaringen, was dus geenszins verhin­derd om gebruik te maken van zijn recht op stilzwij­gen, zich op nuttige wijze te verdedigen of bijkomende onderzoekstaken te vragen, hetgeen de Heer Javeau van het Hof van Cassatie heeft verkregen. Volgens de Rege­ring bestaat de werkelijke draagwijdte van het zogeheten beginsel van de "niet-zelfbe­schuldiging" erin te beletten dat iemand ertoe zou worden verplicht de waarheid onder eed te zeggen, als deelnemer aan de werking van het gerecht en op straffe van sanctie in geval van valse verklaring, om vervolgens tegen hem zijn eigen verklaringen te zien gebruiken en zich van een misdrijf te zien beschuldigen.

      126. Het Hof herinnert eraan dat het recht om niet tegen zichzelf te getuigen, d.w.z. het recht om te zwijgen en om zichzelf niet te beschuldigen, de kern van het eerlijk proces raakt (arresten John Mur­ray, op. cit., en Funke t. Frankrijk van 25 februari 1993, serie A, nr. 256-A, p. 22, § 44; zie ook Saun­ders t. Verenigd Koninkrijk van 17 december 1996, Recueil 1996-VI, pp. 2064-2065, §§ 68 en 71).

      127. Het Hof wijst erop dat de grief van de Hee Stalport in wezen betrekking heeft op het gebruik, in de tegen hem gerichte strafrechtelijke procedure, van zijn verklaringen te hebben opgenomen op 16 maart 1994. Het Hof dient bijgevolg te onderzoeken of het gebruik dat bij de inbeschuldigingstelling hiervan werd gemaakt, op onverantwoorde wijze afbreuk heeft gedaan aan het recht om zichzelf niet te beschuldigen. Het moet dit vraagstuk onderzoeken in het licht van alle omstan­digheden van de zaak.

      128. Het Hof van Cassatie, dat de tenlastelegging met betrekking tot de drie op 15 juni 1989 onderteken­de overeen­komsten analyseerde, heeft in zijn arrest van 5 april 1996 geoordeeld dat uit de verklaringen van de Heren Stalport en Javeau bleek dat het doel van de opsplitsing van de aanvanke­lijke overeenkomst, waarvoor de inspectie van financiën een ongunstig advies had uitgebracht, erin bestond het verplichte advies van de inspecteur van financiën te omzeilen (paragraaf 60 hiervoor). Bij het onderzoek van de verklaringen bedoeld door het Hof van Cassatie, blijkt dat dit Hof deze afleiding heeft moeten baseren op de woorden van de Heer Javeau die werden opgetekend in het proces-verbaal van zijn verhoor van 8 juni 1993 (paragraaf 21 hiervoor) en niet op een bekentenis die zou voortvloeien uit het proces-verbaal van verhoor van de verzoeker van 16 maart 1994 (paragraaf 27 hier­voor). Laatstge­noemde heeft immers steeds verklaard, zowel tijdens dat ver­hoor als tijdens zijn ondervra­ging van 20 februari 1996 (para­graaf 52 hiervoor), dat de beslissing om de oorspronkelijke overeenkomst op te splitsen niet tot doel had aan de controle van het ministerie van financiën te ontsnappen. Onder die omstandigheden kan men er niet van uitgaan dat het Hof van Cassatie, om de schuld van de Heer Stalport aan te tonen, zijn toevlucht heeft genomen tot bewijselemen­ten die van hem zijn verkregen tegen zijn wil in, door middel van dwang of door het uitoefenen van druk.

      129. Bijgevolg is het Hof niet van oordeel dat het eer­lijke karakter van de rechtspleging in het gedrang werd ge­bracht door het gebruik van bewijsele­menten die door middel van dwang werden verkregen.

      130. Er is bijgevolg geen schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.

 

 

      E. De redelijke termijn

 

      131. De Heer Hermanus beweert dat zijn zaak niet werd gehoord binnen een redelijke termijn. Hij zet uiteen dat zijn situatie was aangetast reeds bij de arrestatie van de Heer Javeau in 1989, waarbij de pers zijn rechtschapenheid in twijfel had getrokken, het­geen hem ertoe heeft gebracht klacht in te dienen bij de onderzoeksrechter wegens eerroof, op 28 augustus 1989. Het Hof van Cassatie, dat zitting hield in eer­ste en laatste aanleg, heeft zich echter pas zes en een half jaar later uitgesproken. De verzoeker wijst erop dat de hem ten laste gelegde feiten, die de on­derzoeksrechter reeds bij het begin bekend waren, dermate eenvoudig en weinig complex zijn dat het ar­rest van 5 april 1996 er maar een halve pagina aan besteedt. Bovendien zijn de onderzoeksdaden die op hem betrekking hebben weinig talrijk. Dit geldt inzonder­heid voor het gerechtelijk deskundigenonderzoek, dat het grootste ge­deelte van zijn uiteenzetting wijdt aan feitelijke omstandig­heden die niet tegen hem werden aangevoerd. De beweerde com­plexiteit van de vervolgin­gen is slechts het gevolg van de wil van de overheden om een "systeem" op te zetten waarbij alle vervolgde personen worden verenigd. De samenhang is enkel ver­antwoord door de noodwendigheden van de rechtsbedeling op voorwaarde dat de rechten van de verdediging in acht worden genomen. Een afzonderlijk onderzoek van de hem ten laste gelegde feiten had reeds in 1994 of zelfs eerder kunnen plaatsvinden, en dit had geenszins belet staande te houden dat de op hem betrekking heb­bende feiten verband hielden met een beweerd systeem.

      132. De Regering beklemtoont dat de verzoeker de houding van de gerechtelijke overheden niet in het geding brengt, hetgeen hij overigens niet zou kunnen doen. Door te verwijzen naar de overwegingen die op dit punt door het Hof van Cassatie zijn ontwikkeld in zijn arrest van 5 april 1996, stelt zij vast dat on­danks de complexiteit van de zaak, de gerechtelijke overheden onderzoeksdaden hebben gesteld zonder enige verwijl, parallel met het uitwerken van een bijzonder moeilijk deskun­digenverslag. De verwijten van de ver­zoeker hebben in wezen betrekking op de toepassing van de regel van de samenhang, die op redelijke wijze verantwoord was gelet op de nauwe betrok­kenheid van de Heer Hermanus in het strafbare systeem dat werd opge­zet. De centrale rol van de vereniging "U" en van de Heer Javeau in het systeem voor financiering van poli­tieke activi­teiten impliceerde echter noodzakelijker­wijze de groepering van alle feiten en dus van alle verdachten die hiermee in verband hadden gestaan.

 

      1. In aanmerking te nemen periode

 

      133. Volgens het Hof is de in aanmerking te nemen periode begonnen op 28 augustus 1991, datum waarop een huiszoeking werd verricht op de woonplaats van de Heer Hermanus en in zijn kantoren (paragraaf 19 hiervoor). Het Hof herinnert eraan dat in strafzaken de "redelij­ke termijn" van artikel 6, lid 1, begint vanaf het ogen­blik waarop een persoon "wegens een strafbaar feit wordt vervolgd"; het kan gaan om een datum voorafgaand aan de saisine van het vonnisgerecht, die met name van de arrestatie, van de inverdenkingstelling, van de opening van een vooronderzoek. In de "ingestelde strafvervolging" in de zin van artikel 6, lid 1, kan worden gedefinieerd "als de officiële kennisgeving, uitgaande van de bevoegde overheid, van het verwijt een strafbaar feit te hebben begaan", hetgeen ook verwijst naar de idee van "belangrijke weerslag op de situatie" van de verdachte (arrest Hozee t. Nederland van 22 mei 1998, Recueil 1998-III, p. 1100, § 43; arrest Eckle t. Duitsland van 15 juli 1982, serie A nr. 51, p. 33, § 73). Al kan de perscampagne waarvan de verzoeker melding maakt niet gelijk worden gesteld met een dergelijke "kennisgeving", doch is dit wel degelijk het geval voor de huiszoekingen verricht op 28 augustus 1991 (Neubeck t. Duitsland, verzoekschrift nr. 9132/80, verslag van 12 december 1983, DR 41, p. 13).

      134. Overigens wordt geenszins betwist dat de in  aanmer­king te nemen periode een einde genomen op 5 april 1996, dag van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie (paragraaf 55 hiervoor).

      135. Zij bedraagt dus vier jaar, zeven maanden en acht dagen.

 

      2. Redelijk karakter van de duur van de rechts­pleging

 

      136. Het redelijk karakter van de duur van een rechtsple­ging wordt beoordeeld volgens de omstandighe­den van de zaak en in het licht van de criteria die zijn verankerd door de recht­spraak van het Hof, inzon­derheid de complexiteit van de zaak, het bedrag van de verzoeker en dat van de bevoegde overheden (zie, onder vele andere, Pélissier en Sasso t. frankrijk [GC], nr. 25444/94, § 67, EHRM 1999-II, en Philis t. Grieken­land (nr. 2) van 27 juni 1997, Recueil 1997-IV, p. 1083, § 35).

      137. Het Hof stelt allereerst vast dat de zaak complex was. Aan de gerechtelijke overheden werd een veelheid aan materiële feiten voorgelegd. Die omstan­digheid en de aard zelf van de tenlasteleggingen verg­den vanwege de personen belast met het onderzoek van de zaak een langdurig werk van recon­structie van de feiten, samenbrengingen van de bewijzen en bepaling, voor elk van de personen die betrokken bleken te zijn, van de feiten en de tenlasteleggingen die hun werden verweten. Dit alles verklaart de omvang van het dos­sier, omvang waarop de Heren Mazy, Stalport en Javeau zelf hebben gewezen in hun geschriften voor het Hof. Bovendien werden in de zaak delicate rechtsvragen opgeworpen, die, alvorens te worden gesteld aan de verzoekers en vervolgens aan het Hof van Cassatie, een antwoord moesten krijgen vanwege de Belgische gerech­telijke overheden. Tenslotte impliceerden de functies uitgeoefend door sommige van de verdachte personen, onder wie de Heer Hermanus zelf, vanwege de vervolgen­de overheden de saisine van organen van de wetgevende macht teneinde de "mach­tiging" te verkrijgen om te vervolgen of uitspraak te zien doen over een eventuele verwijzing voor berechting.

      138. Wat het gedrag van de Heer Hermanus betreft, lijkt geen enkele vertraging aan hem te moeten worden toegeschreven.

      139. Uit het onderzoek van de zaak in het licht van de opmerkingen van de partijen is geen enkele periode van inacti­viteit gebleken die toe te schrijven zou zijn aan de nationale gerechtelijke overheden. De verzoeker brengt het voeren van de zaak door die over­heden overigens niet in het geding, maar betwist hun beslissing om de hen ten laste gelegde feiten samen te onderzoeken met die welke aan andere personen ten laste werden gelegd, zich beroepende op de samenhang. In de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid hebben de gerechtelijke overheden onbetwistbaar het risico genomen om de verwijzing van de Heer Hermanus voor berechting te vertragen. De omstandigheid evenwel dat de aan de Heer Javeau en aan de andere beklaagden ten laste gelegde feiten aan het licht zijn gekomen door hetzelfde onderzoek en de onderlinge afhankelijk­heid van de beschuldigingen, door het Hof van Cassatie vermeld in zijn arrest van 5 april 1996 (paragraaf 55 hiervoor), konden op redelijke wijze vereisen dat de tenlasteleggingen die de verzoeker werden verweten, niet zouden worden losgekop­peld van de rest van het onderzoeksdossier.

      140. Artikel 6 "schrijft de snelheid van de ge­rechtelijke procedures voor, maar huldigt ook het meer algemene beginsel van goede rechtsbedeling" (arrest Boddaert t. België van 12 oktober 1992, serie A nr. 235-D, pp. 82-83, § 39). In de omstandigheden van de zaak lijkt de houding van de gerechte­lijke overheden in overeenstemming te zijn met het juiste evenwicht dat moet worden gehandhaafd tussen de verschillende aspecten van dit fundamentele vereiste.

      141. Bijgevolg is er op dit punt geen schending geweest van artikel 6, lid 1, van het Verdrag.

 

 

II. TEN AANZIEN VAN DE BEWEERDE SCHENDING VAN ARTIKEL 7 VAN HET VERDRAG

 

      142. De Heren Coëme en Hermanus doen gelden dat de toe­passing van de nieuwe wet betreffende de verja­ring een schen­ding van artikel 7 van het Verdrag met zich heeft meegebracht, dat als volgt luidt:

 

            "1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een hande­len of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het han­delen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toe­passing was.

 

            2. Dit artikel staat niet in de weg aan het von­nis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het hande­len of nalaten geschied­de, een misdrijf was overeen­komstig de alge­mene rechtsbeginselen welke door de be­schaafde volken worden erkend."

 

      143. De verzoekers beweren dat het beginsel van de onmid­dellijke toepassing van de nieuwe wet op de verjaring en de uitdrukkelijke wil van de wetgever het Hof van Cassatie ertoe verplichtten vast te stellen dat de verjaring van de strafvor­dering, wat hen be­trof, was verworven op 22 februari 1996, zijnde vijf jaar na het stuitingsfeit dat zich op 22 februari 1991 had voorgedaan. Bij zijn arrest van 5 april 1996 heeft het Hof echter een vervallen termijn doen herleven en ver­lengd, hetgeen niet mogelijk is, hierbij overwegen­de dat een oorspronkelijke termijn van vijf jaar was ingegaan op 30 november 1989 ten opzichte van de Heer Coëme en op 29 februari 1988 ten opzichte van de Heer Hermanus. Het heeft bovendien de verjaringstermijn een tweede maal gestuit, hetgeen artikel 22 van het Wet­boek van Strafvordering echter niet toestaat, door de datum van 10 juli 1992 in aanmerking te nemen. De verzoe­kers besluiten hieruit dat het Hof van Cassatie daadwerkelijk met terugwerkende kracht artikel 25 van de wet van 24 december 1993 heeft toegepast. Zulks heeft inbreuk gemaakt op artikel 7, in zoverre de bepaling van de periode gedurende welke een feit kan worden bestraft beslist evenzeer bijdraagt tot het begrip "straf" als de maatregel die krachtens de wet als sanctie wordt opgelegd. Artikel 7 verankert immers het princi­pe van de voorzienbaarheid van het strafbaar feit en van de straf, hetgeen de voorzienbaarheid van de bestraffing inhoudt.

      144. De Regering bestrijdt die beweringen. Zij doet gelden dat de extensieve interpretatie van arti­kel 7 die de verzoekers naar voren brengen, niet be­staanbaar is met de tekst ervan. Artikel 7 bevat wel­iswaar het verbod van retroac­tiviteit, maar dat verbod heeft enkel betrekking op de straf­baarstellingen en de straffen en is dus niet van toepassing op de procedu­reregels, met name de verjaring. De interpretatie van de verzoekers volgen, zou een ernstige belemmering vormen voor de mogelijkheid voor de Staten om de nodi­ge aanpassingen in de strafrechtelijke procedures door te voeren en rekening te houden met de overbelasting van de rechtscolleges. In ondergeschikte orde merkt de Regering op dat, zelfs als men ervan zou willen uit­gaan dat artikel 7 eveneens de verjaring in strafzaken betreft, het als loutere draagwijdte zou hebben te verhinderen dat, zodra ze is verworven, de verjaring van de strafvordering opnieuw in het geding zou worden gebracht. Het is enkel in een dergelijk geval dat er retroactiviteit zou zijn: de nieuwe wet zou immers moeten "teruggaan in de tijd" ten opzichte van de inwerkingtreding ervan om een verworven verjaring teniet te kunnen doen. Niets van dit alles heeft zich evenwel te dezen voorgedaan. Op 31 december 1993, datum van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, was de verjaring niet verworven volgens de voorheen toe­passelijke regels en het Hof van Cassatie heeft vanaf de in het geding zijnde feiten de nieuwe verjarings­termijn toegepast waarin de wet van 24 decem­ber 1993 voorziet. Er dient immers te worden opgemerkt dat de verjaring geen betrekking heeft op de feiten maar op de enkele strafvervolging. Zij wijst op procedurere­gels waarvoor een nieuwe wet onmiddellijk effect sor­teert op alle andere proce­dures.

      145. Het Hof herinnert eraan dat, overeenkomstig zijn rechtspraak, artikel 7 met name het beginsel van de legaliteit van de wanbedrijven en straffen ver­an­kert (nullum crimen, nulla poena sine lege). Hoewel het inzonderheid het verbod inhoudt om het toepas­singsgebied van de bestaande misdrijven uit te breiden op feiten die voorheen geen misdrijven waren, houdt het anderzijds de verplichting in om de strafwet niet op extensieve wijze ten nadele van de beschuldigde toe te passen, bijvoorbeeld door analogie. Hieruit volgt dat de wet de mis­drijven en de straffen die daarop zijn gesteld, duidelijk moet bepalen. Aan die voor­waarde is voldaan wanneer de rechtzoeken­de, op grond van de bewoordingen van de relevante bepaling en des­noods met behulp van de interpretatie die door de rechtban­ken eraan is gegeven, kan weten welk handelen en welk nalaten zijn strafrechtelijke verantwoorde­lijkheid in het geding brengt.

      Het begrip "recht" ("law") vervat in artikel 7 stemt overeen met die van "wet" in de andere artikelen van het Verdrag; het omvat het oorspronkelijke, zowel wetgevende als jurisprudentiële recht en impliceert kwalitatieve voorwaarden, ondermeer die van de toegan­kelijkheid en van de voorzienbaar­heid (arresten Canto­ni t. Frankrijk van 15 november 1996, Recueil 1996-V, p. 1627, § 29, en S.W. en C.R. t. Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995, serie A, nr. 335-B en 335-C, pp. 41-42, § 35, en respectievelijk pp. 68-69, § 33). De taak van het Hof bestaat er dus in zich ervan te ver­gewissen of op het ogenblik waarop een beschuldigde de handeling heeft ge­steld die aanleiding heeft gegeven tot vervolging en veroorde­ling, een wettelijke bepa­ling bestond die de handeling straf­baar stelde en of de opgelegde straf niet de door die bepaling gestelde perken te buiten is gegaan (verzoekschrift nr. 4681/70, beslissing van 3 en 4 oktober 1972, Recueil de décisions 43, p. 1). Het begrip "straf" heeft een autonome draagwijdte, zodat het Hof, om de bij artikel 7 geboden be­scherming doeltreffend te maken, vrij moet blijven om verder te gaan dan de schijn en zelf te beoordelen of een bepaalde maatregel ten gronde moet worden geanalyseerd als zijnde een "straf" in de zin van deze bepaling (arrest Welch t. Verenigd Koninkrijk van 9 februari 1995, serie A nr. 307-A, p. 13, § 27). Als de tekst van het Verdrag het uitgangspunt van die beoordeling is, kan het Hof ertoe worden gebracht zich op andere elementen te baseren, waaronder de parlemen­taire voor­bereiding. Gelet op het doel van het Ver­drag, dat erin bestaat concrete en effectieve rechten te beschermen, kan het ook rekening houden met de inachtneming van een evenwicht tussen het algemeen belang en de fundamentele rechten van het indivi­du, alsmede de op dit ogenblik heersende opvattingen in demo­cratische Staten (zie met name het arrest Airey t. Ierland van 9 oktober 1979, serie A nr. 32, pp. 15-16, § 26, en het arrest Guzzardi t. Italië van 6 no­vember 1980, serie A nr. 39, pp. 34-35, § 95).

      146. De verjaring kan worden omschreven als het recht dat bij de wet wordt toegekend aan de auteur van een misdrijf om niet meer vervolgd of berecht te wor­den na afloop van een zekere termijn vanaf de verwe­zenlijking van de feiten. De verjaringstermijnen, die gemeenschappelijk zijn aan de rechts­systemen van de verdragsluitende Staten, hebben verscheidene doelein­den, waaronder het waarborgen van de rechtszekerheid door een termijn te stellen aan de vorderingen, en het belet­ten van een aanpassing van de rechten van de verdediging die in het gedrang zouden kunnen worden gebracht indien de recht­banken geroepen zouden zijn om zich ten gronde uit te spreken over bewijselementen die onvolledig zouden zijn vanwege de tijd die is verstreken (arrest Stubbings en anderen t. Ver­enigd Koninkrijk van 22 oktober 1996, Recueil 1996-IV, pp. 1502-1503, § 51).

      147. Het Hof stelt vast dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 5 april 1996 met name heeft ver­klaard dat ten aanzien van de Heren Coëme en Hermanus feiten van valsheid en gebruik van valse stukken, die door het strafwetboek als misdaden zijn gekwalifi­ceerd, bewezen waren. Door verzachtende omstandigheden aan te nemen, heeft het evenwel aan die feiten, zoals aan de andere feiten die het bewezen heeft verklaard, het karakter van wanbedrijf toegekend. In het Belgi­sche recht richt de kwalificatie van het misdrijf zich niet naar de toepasselijke straf, maar wel naar de toegepaste straf. Het is dus op de datum van de be­rechting dat men zich moet plaatsen om uiteindelijk de verjaringstermijn van de strafvordering vast te stel­len. Onder die voorwaarden heeft het Hof van Cassatie de verjaringstermijn inzake wanbedrijven in aanmer­king genomen. Vervolgens, door over te gaan tot een onmid­dellijke toepassing van de wet van 24 december 1993, heeft het Hof geoordeeld, na te hebben vastgesteld dat de bewezen ver­klaarde feiten niet waren verjaard op de datum van inwerking­treding van de wet, dat de verja­ringstermijn vijf jaar bedroeg vanaf de feiten, even­tueel verlengd met een nieuwe termijn van vijf jaar vanaf de stuitingshandeling die regelmatig is vol­trok­ken vóór het verstrijken van de eerste termijn van vijf jaar (paragraaf 57 hiervoor).

      148. Het Hof merkt op dat de door het Hof van Cassatie gekozen oplossing gebaseerd is op zijn rechtspraak volgens welke de wetten die de verja­ringsregels wijzigen voortaan, in België, worden be­schouwd als bevoegdheids- en procedurewetten. Bijge­volg inspireert het zich op het algemeen erkende be­ginsel volgens hetwelk, behoudens uitdrukkelijke bepa­lingen in tegen­gestelde zin, de procedurewetten onmid­dellijk van toepassing zijn op de lopende procedures (arrest Brualla Gomez de la Torre, voormeld, p. 2956, § 35).

      149. De verlenging van de verjaringstermijn inge­voerd bij de wet van 24 december 1993 en de onmiddel­lijke toepassing ervan door het Hof van Cassatie heb­ben weliswaar toe gevolg gehad dat de termijn geduren­de welke de feiten konden worden vervolgd, werd ver­ruimd, en zij waren ongunstig voor de ver­zoekers, doordat met name hun verwachtingen werden gedwars­boomd. Een dergelijke situatie maakt evenwel geen inbreuk op de bij artikel 7 gewaarborgde rechten ver­mits men die bepaling niet in die zin kan interprete­ren dat zij, door het gevolg van de onmiddellijke toepassing van een procedurewet, een verlen­ging van de verjaringstermijnen verhindert wanneer de ten laste gelegde feiten nooit zijn verjaard.

      De vraag betreffende een eventuele aantasting van artikel 7 door een bepaling die tot gevolg zou hebben de mogelijkheid van bestraffing van feiten te doen herleven die niet-strafbaar zijn geworden ten gevolge van een verworven verjaring, is vreemd aan onderhavige zaak en moet te dezen dus niet worden onderzocht, zelfs als, zoals de Heer Hermanus beweert, het Hof van Cassatie, wat hem betreft, een stuitend effect zou hebben toegekend aan een handeling die dat effect niet had op het ogenblik waarop ze werd gesteld.

      150. Het Hof stelt vast dat de verzoekers, die er niet onwetend ervan konden zijn dat de ten laste ge­legde feiten hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid in het geding konden brengen, werden veroordeeld voor handelingen waarvoor de strafvervolging nooit door verjaring is vervallen. Die hande­lingen vormden mis­drijven op het ogenblik waarop zij werden begaan en de opgelegde straffen zijn niet zwaarder dan die welke op het ogenblik van de feiten toepasselijk waren. De verzoekers hebben evenmin vanwege de wet van 24 de­cember 1993 een groter nadeel geleden dan datgene waaraan zij waren bloot­gesteld op het ogenblik waarop de misdrijven werden begaan (zie, mutatis mutandis, het voormelde arrest Welch, P. 14, § 34).

      151. Bijgevolg is er geen aantasting geweest van de rechten van de betrokkenen op grond van artikel 7 van het Verdrag.

 

 

III. TEN AANZIEN VAN DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 41 VAN HET VERDRAG

 

      152. Artikel 41 van het Verdrag luidt:

 

            "Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de Protocollen daarbij heeft plaatsge­vonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechts­herstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan ee benadeelde."

 

      A. Schadevergoeding

 

 

      1. De Heer Coëme

 

      153. De Heer Coëme beweert dat het materiële nadeel voortvloeiende uit de beweerde schendingen van het Verdrag 22.660.749 BEF bedraagt, zijnde 20.544.024 BEF wegens verlies aan inkomsten gekoppeld aan zijn activiteiten van volksverte­genwoordiger, burgemeester en gemeenteraadslid en aan zijn mandaten in drie ven­nootschappen, die hij niet kon uitoefenen tussen mei 1996 en december 1998 of juni 1999, en 2.116.725 BEF zijnde het bedrag van de geldboetes, verbeurdverkla­ringen en burgerlijke veroordelingen welke werden uitgesproken, alsmede de kosten van de strafvordering en de registratiekos­ten. Hij verzoekt eveneens het Hof rekening te houden met sommige voordelen voortvloeien­de uit het mandaat van volksver­tegenwoordiger, zonder ze evenwel te becijferen. Hij zet uiteen dat het oor­zakelijk verband tussen de schade en de schending van het Verdrag onbetwistbaar is vermits hij niet had kunnen worden veroordeeld indien de waarborgen vervat in het Verdrag in acht zouden zijn genomen. Hij formu­leert geen enkele vordering wat het morele nadeel betreft.

      154. Volgens de Regering heeft de verzoeker het bestaan van een materieel nadeel niet op behoorlijke wijze bewezen.

      155. Het Hof ziet geen oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 7, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade. Het Hof kan immers niet specule­ren op wat de afloop zou zijn geweest van een procedu­re conform artikel 6, lid 1. Bijgevolg verwerpt het de aanspraken van de verzoeker op deze titel (zie laat­stelijk Nikolova t. Bulgarije [GC], nr. 31195/96, § 73, EHRM 1999-II en Demir en anderen t. Turkije van 23 september 1998, Recueil 1998-VI, p. 2660, § 63). Het oordeelt bovendien dat bij ontstentenis van vordering op dit punt, er geen aanleiding toe bestaat aan de verzoeker een som toe te kennen wegens morele schade.

 

 

      2. De Heer Mazy

 

      156. De Heer Mazy beweert vanwege de aangevoerde schen­dingen van het Verdrag een belangrijk materieel en moreel nadeel te hebben geleden. Hij preciseert dat zijn materieel nadeel 7.369.768 BEF bedraagt, zijnde 6.722.000 BEF wegens inkomstenverlies met betrekking tot zijn mandaat van gedele­geerd bestuurder in een vennootschap, dat hij niet heeft kunnen voortzetten vanwege zijn veroordeling en 647.768 BEF zijnde het bedrag van de geldboetes, verbeurdverklaringen en schikkingen met de burgerlijke partijen als gevolg van de veroordeling die werd uitgesproken, alsmede de kosten van de strafvordering en de registratiekosten. Zijn moreel nadeel bepaalt hij daarentegen niet.

      157. De Regering is van oordeel dat deze verzoe­ker het bestaan van een materieel nadeel niet behoor­lijk heeft bewe­zen. Zij beweert bovendien dat het morele nadeel dat de Heer Mazy beweert te hebben gele­den onvoldoende is gepreciseerd.

      158. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en het materiële nadeel verwerpt het Hof de desbetreffende aanspraken van de verzoeker (paragraaf 155 hiervoor). Anderzijds oordeelt het Hof dat de Heer Mazy een vaststaand moreel nadeel heeft geleden vanwe­ge de schendingen die werden vastgesteld. Gelet op de omvang ervan kan de loutere vaststelling van die schendingen dit nadeel niet compenseren. Rekening houdende met de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid de som van 300.000 BEF uit dien hoofde toe te kennen.

 

 

      3. De erfgenamen van de Heer Stalport

 

      159. De echtgenote en de dochters van de Heer Stalport menen dat het door hun echtgenoot en vader geleden materiële nadeel 68.680 BEF bedraagt, zijnde het bedrag van de geldboete en de kosten van de straf­vordering die hij heeft moeten beta­len naar aanleiding van zijn veroordeling. Zij doen ook opmer­ken dat hij zijn bestuurdersmandaten in diverse vennootschap­pen niet echt heeft kunnen voortzetten gelet op de straf die hem werd opgelegd. Zij zetten uiteen dat de ver­schijning van de verzoeker voor het Hof van Cassatie een beproeving is geweest, dat dat rechtscollege niet bevoegd was om de betrok­kene te berechten en dat de gevolgde procedure niet regelmatig was. Het uitzonder­lijke karakter van het proces, dat meer dan vijf maan­den heeft geduurd, en de sterke mediabelangstelling hiervoor hebben afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat zijn relaties in hem hadden en was een hinderpaal voor de normale en serene uitoefening van zijn activiteiten van algemeen bestuurder, los van het feit dat afbreuk werd gedaan aan zijn eer en aan die van zijn naaste familieleden. De beproevingen die hij heeft ondergaan en zijn veroordeling zijn niet vreemd aan de verslech­tering van zijn gezondheidstoestand. De echtge­note en de dochters van de Heer Stalport vragen bijgevolg de toekenning van een billijke genoegdoening in verband met die materiële en morele schade. Zij verzoeken het Hof die vergoe­ding naar billijkheid te bepalen.

      160. De Regering doet gelden dat het bestaan van een materieel nadeel in hoofde van de verzoeker niet behoorlijk is bewezen. De Regering, die erop wijst dat enkel het door de Heer Stalport geleden morele nadeel in aanmerking kan worden genomen, stelt allereerst vast dat dit nadeel niet is becij­ferd, zodat zij niet in de mogelijkheid is om zich op diensti­ge wijze te verdedigen. Zij betoogt bovendien dat de aantas­tingen van de eer en van het beroepsleven, in de veronder­stelling dat dit laatste onderscheiden is van het beweerde materiële nadeel, niet voortvloeien uit de beweerde schendin­gen van het Verdrag, maar uit het bestaan van de vervolgingen en van de veroordeling. Ten slotte is de mediabelangstelling het gevolg van de hoedanigheid van de vervolgde personen en van de aard van de ten laste gelegde feiten.

      161. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade, verwerpt het Hof de uit dien hoofde gemaakte aanspraken (paragraaf 155 hiervoor). Daarentegen oordeelt het Hof dat de Heer Stalport een vaststaand moreel nadeel heeft geleden vanwege de schendingen die het heeft vastgesteld (ar­tikel 158 hiervoor). Rekening houdende met de omstan­digheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid de som van 300.000 BEF uit dien hoofde toe te kennen.

 

 

      4. De Heer Hermanus

 

      162. De Heer Hermanus beweert een belangrijk materieel nadeel te hebben geleden vanwege kosten voortvloeiende uit het arrest van 5 april 1996 zelf en vanwege het verlies aan bezol­digingen gepaard gaande met zijn beroepsactiviteiten, die hij niet heeft kun­nen voortzetten ten gevolge van het verbod om geduren­de een termijn van vijf jaar de rechten uit te oefenen die zijn opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek. Hij wijst erop dat vanwege dat verbod hij het geheel van de acti­viteiten die zijn beroepsleven vormen heeft verloren (secreta­ris-generaal van het ministerie van de Franse Gemeenschap, raadslid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, schepen, voorzitter van de GOMB en bestuurder van een vennootschap) die hem in 1995 een jaarinkomen van 8.679.619 BEF hadden opgele­verd. De boeten, kosten van de strafvordering en kosten voor fotokopies vertegenwoordigen van hun kant een som van 211.240 BEF. Hij betoogt dat hij bovendien een aan­zienlijk moreel nadeel heeft geleden als gevolg van het - althans gedeeltelij­ke - verlies van de functies die hij beklede, van het feit van de intense mediabe­langstelling voor het proces en van aanval­len van zijn politieke tegenstanders.

      163. De Regering betwist het bestaan van een behoorlijk bewezen materieel nadeel. Ditzelfde geldt voor het morele nadeel, dat niet is becijferd, waarbij wordt verwezen naar de overwegingen die zijn uiteenge­zet ten aanzien van de aantas­ting van het beroepsleven en de mediabelangstelling met be­trekking tot het more­le nadeel beweerdelijk geleden door de Heer Stalport.

      164. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en het materiële nadeel verwerpt het Hof de desbetreffende aanspraken van de verzoeker (paragraaf 155 hiervoor). Daarentegen meent het Hof dat de ver­zoeker een vaststaand moreel nadeel heeft geleden dat niet kan worden goedgemaakt door de loutere vast­stel­ling van de schendingen (paragraaf 158 hiervoor). In de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid uit dien hoofde de som van 300.000 BEF toe te kennen.

 

 

      5. De Heer Javeau

 

      165. De Heer Javeau becijfert de verschillende materiële nadelen voortvloeiende uit de beweerde schendingen van het Verdrag op 19.000.000 BEF wegens inkomensverlies, 7.613.927 BEF wegens de geldboetes, bijdragen, vergoedingen, verbeurd­verklaringen, burger­lijke veroordelingen, kosten van de straf­vordering en kosten van registratie waarvoor hij op 25 mei 1999 effectief een som van 1.559.749 BEF had betaald, 606.745 BEF voor zijn aandeel in een burgerlijke ver­oordeling uitge­sproken naar aanleiding van een vorde­ring ingesteld op grond van het veroordelingsarrest van 5 april 1996, 182.307 BEF voor kopie- en fotoko­piekosten van het strafdossier en kosten van dagvaar­ding van getuigen en 421.075 BEF wegens honoraria van boekhouders en fiscaaldeskundigen, waarbij een bedrag wordt gevoegd van 39.654.441 BEF, namelijk de sommen verschuldigd per 25 mei 1999 vanwege een fiscale her­ziening waartoe vanaf het begin van de vervolgingen werd overgegaan. Hij maakt ook gewag van een onmete­lijk moreel nadeel, waarvan de raming enkel ex aequo et bono kan worden verricht en waarvan hij de beoorde­ling aan het Hof overlaat. Hij verklaart met name dat hij sociaal werd "vermoord" vanwege het loutere feit van zijn berechting door het Hof van Cassatie, waar hij is berecht onder ongewone omstandigheden op het vlak van de media, op psychologisch en openbaar vlak.

      166. De Regering betwist het bestaan van een materieel nadeel en van een moreel nadeel (wat overi­gens niet is becij­ferd), dat behoorlijk zou zijn bewe­zen, met name met verwij­zing naar de overwegingen die naar boven zijn gebracht met betrekking tot de media­belangstelling in verband met het beweerdelijk door de Heer Stalport morele nadeel.    

      167. Bij ontstentenis van oorzakelijk verband tussen de schending van artikel 6, lid 1, van het Verdrag en de materiële schade verwerpt het Hof de door de ver­zoeker in dit verband gemaakt aanspraken (paragraaf 155 hier­voor). Daarente­gen is het Hof van oordeel dat de verzoeker een vaststaand moreel nadeel heeft gele­den dat niet kan worden goedgemaakt door louter vast­stelling van de schendingen (paragraaf 158 hiervoor). In de omstandigheden van de zaak beslist het Hof naar billijkheid uit dien hoofde de som van 300.000 BEF toe te kennen.

 

 

      B. Kosten

 

 

      1. De Heer Coëme

 

      168. De betrokkene vordert de terugbetaling van de som van 1.222.580 BEF wegens kosten aangegaan voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volksverte­genwoordiger en het Hof van Cassatie en de som van 229.510 BEF wegens kosten van het geding voor het Hof en de Commissie, zijnde in totaal 1.452.090 BEF.

      169. De Regering is van oordeel dat, aangezien niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kosten voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en het Hof van Cassatie zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voorkomen of te corrigeren, de vordering op dit punt moet worden verworpen. Zij betwist ook sommi­ge kosten gevorderd voor de procedure voor de organen van het Verdrag, en met name de kosten gevorderd van­wege de ver­schijning op de terechtzitting van 2 maart 1999, die een totaalbedrag van 1.381,60 Franse frank (FRF) bedragen. Volgens haar zijn die kosten volledig onafhankelijk van de ingezette middelen om de inacht­neming te verzekeren van de door het Verdrag geboden waarborgen. Andere uit dien hoofde gevorderde kosten, meer bepaald de bedragen van 1.200 FRF en 17.250 BEF en de sommen voor verplaatsingskosten, zijn overdre­ven. Ten aanzien van de andere gevorderde sommen ver­klaart de Regering zich te gedragen naar de wijsheid van het Hof.

      170. Wanneer het Hof een schending van het Ver­drag vast­stelt, kan het aan een verzoeker niet alleen de betaling toekennen van zijn kosten voor de organen van het Verdrag, maar ook van die welke hij heeft gehad voor de nationale rechtscolleges om de schending te voorkomen of door hen te laten corrigeren (zie met name het arrest Hertel t. Zwitser­land van 25 augustus 1998, Recueil 1998-VI, p. 2334, § 63). Te dezen stelt het Hof vast dat de verzoeker geen dergelijke kosten voor de bijzondere commissie van de Kamer van Volks­vertegenwoordigers heeft gehad. Bijgevolg dient de vordering op dat punt te worden afgewezen. Daarentegen hebben de onze­kerheden die werden vastgesteld wat betreft de regels die de voor het Hof van Cassatie te volgen procedure regelen, voor de verzoeker op vast­staande wijze bijkomende kosten met zich gebracht in de loop van dat geding. Het Hof acht het redelijk hem uit dien hoofde 200.000 BEF toe te kennen. De Heer Coëme is eveneens gerechtigd de betaling te vorderen van de kosten van het geding met betrekking tot de procedures voor de Com­missie en het Hof, met inbegrip van de kosten voor het opstel­len van een nota betref­fende de minnelijke schikking op basis van artikel 38, lid 1, onder b), van het Verdrag. Uit hoofde van die procedures kent het Hof, naar billijkheid uitspraak doende op basis van de elementen waarover het beschikt, hem 200.000 BEF toe.

 

 

      2. De Heer Mazy

 

      171. Deze verzoeker vordert de betaling van 460.190 BEF voor zijn kosten van het geding voor de organen van het Ver­drag en 1.000.000 BEF wegens erelo­nen voor het Hof van Cassa­tie.

      172. De Regering erkent dat sommige door de ver­zoeker gevorderde bedragen althans gedeeltelijk be­trekking kunnen hebben op middelen die door de verzoe­ker zijn aangewend om het Verdrag voor de nationale rechtscolleges te doen naleven. De verzoeker is even­wel in gebreke gebleven een dergelijk verband aan te tonen voor het essentiële gedeelte van de kosten die hij beweert te hebben moeten aangaan voor het Hof van Cassa­tie. In haar nota over de billijke genoegdoening van 29 juli 1999, heeft de Regering eveneens beweert dat de verzoeker niet in staat was de terugbetaling te vorderen van de kosten van het geding aangegaan voor de organen van het Verdrag bij ontstentenis van het bewijs dat hij ze werkelijk had gemaakt, vermits hij slechts een raming hiervan had verstrekt.

      173. Met verwijzing naar de overwegingen uiteen­gezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Coëme (paragraaf 170 hiervoor) oordeelt het Hof reke­ning te moeten houden met het feit dat de verzoeker noodzakelijkerwijze bepaalde bijko­mende kosten heeft moeten dragen in de loop van het geding voor het Hof van Cassatie gelet op de lacunes die werden vastge­steld in verband met de samenhang en de regels betref­fende de procedure. Uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof hem de som toe van 300.000 BEF voor kosten van het geding voor het Hof van Cassatie en de som van 460.000 BEF voor zijn kosten van vertegenwoordiging voor de Commissie en vervolgens voor het Hof, waarvan de verzoeker heeft aangetoond dat hij ze heeft gedra­gen door een ereloonnota voor te leggen (zie met name het arrest Zimmermann en Steiner t. Zwitserland van 13 juli 1983, serie A nr. 66, p. 14, § 36).

 

 

      3. De erfgenamen van de Heer Stalport

 

      174. De echtgenote en de dochters van de Heer Stalport vorderen de betaling van 687.040 BEF voor de kosten van het geding voor de organen van het Verdrag en 872.600 BEF voor kosten en erelonen voor het Hof van Cassatie.

      175. De Regering erkent dat sommige door de ver­zoeker gevorderde bedragen althans gedeeltelijk be­trekking hebben op de door de verzoeker ingezette middelen om het Verdrag voor de nationale rechtscolle­ges te doen naleven. De erfgenamen van de Heer Stal­port zijn evenwel in gebreke gebleven een dergelijk verband aan te tonen voor een substantieel gedeelte van de kosten die zij beweren te hebben moeten aangaan voor het Hof van Cassatie. In haar nota betreffende de billijke genoegdoe­ning van 29 juli 1999 heeft de Rege­ring eveneens betoogd dat zij niet gerechtigd waren de terugbetaling te vorderen van 400.000 BEF wegens kos­ten van het geding aangegaan voor de organen van het Verdrag bij ontstentenis van bewijs dat het overige gedeelte van de gevorderde som daadwerkelijk was aan­gegaan. Zij doet ook gelden dat het gebrek aan preci­sering van de vordering en aan bewijsstukken het niet mogelijk maken het onderwerp en de gegrondheid alsmede het redelijke karakter van de gevorderde sommen te beoordelen.

      176. Met verwijzing naar de overwegingen uiteen­gezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Mazy (paragraaf 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is ver­eist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof de som toe van 300.000 BEF voor de kosten van het geding van de Heer Stalport voor het Hof van Cassatie en de som van 460.000 BEF voor de kosten van het geding voor de Commissie en vervolgens voor het Hof, waarvoor een ereloonnota is voorgelegd.

 

 

      4. De Heer Hermanus

 

      177. De betrokkene vordert de terugbetaling van de som van 264.480 BEF voor kosten en erelonen aange­gaan voor de procedure voor de Brusselse Hoofdstede­lijke Raad, van de som van 1.250.000 BEF voor het geding voor het Hof van Cassatie en de som van 497.547 BEF voor de kosten van het geding voor het Hof en de Commissie, zijnde in totaal 2.012.027 BEF.

      178. De Regering is van oordeel dat, vermits niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kos­ten voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en voor het Hof van Cassatie zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voorkomen of te corri­geren, de vordering op dat punt moet worden verworpen. Wat betreft de kosten voor de rechtspleging voor de organen van het Verdrag, wijst zij erop dat bepaalde verrichtingen die zijn opgenomen in een ereloon­nota van 3 januari 1997 er totaal vreemd aan zijn. Wat de andere gevorderde sommen betreft, verklaart zij zich te gedra­gen naar de wijsheid van het Hof.

      179. Met verwijzing naar de overwegingen uiteen­gezet bij het onderzoek van de vorderingen van de Heren Coëme en Mazy (paragrafen 170 en 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is vereist bij artikel 41 van het Verdrag, wijst het Hof de vor­dering af met betrekking tot de procedure voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en kent het aan de Heer Hermanus de som toe van 300.000 BEF wegens kosten van het geding voor het Hof van Cassatie. Na het argument van de Regering in aanmerking te hebben genomen vol­gens hetwelk sommige kosten vreemd zouden zijn aan de procedure voor de organen van het Verdrag, kent zij de som toe van 460.000 BEF voor de kosten aangegaan voor de Commissie en vervolgens voor het Hof.

 

 

      5. De Heer Javeau

 

      180. De Heer Javeau vordert de terugbetaling van 1.119.270 BEF wegens kosten en honoraria voor het Hof van Cassatie en 573.973 BEF wegens kosten van het geding voor de organen van het Verdrag, waarvan 23.973 BEF de kosten van verschijning ter terechtzitting van 2 maart 1999 vertegenwoor­digen.

      181. De Regering is van oordeel dat, vermits niet is aangetoond dat de gevorderde bedragen voor de kos­ten voor het Hof van Cassatie en de erelonen van de vier raadslieden die hem hebben bijgestaan voor dat rechtscollege zouden zijn aangegaan om de beweerde schendingen van het Verdrag te voor­komen of te corri­geren, de vordering op dat punt moet worden verworpen. Hetzelfde geldt voor de kosten en erelonen van zijn drie raadslieden in de procedure in Straatsburg, in zoverre de kosten- en ereloonstaten van die advocaten uitsluitend een totale afrekening bevatten, waarbij geenszins de prestaties worden gepreciseerd waarop zij betrekking hebben en waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten en de erelo­nen. De kosten verbonden aan de verschijning van 2 maart 1999 worden van hun kant niet betwist.

      182. Met verwijzing naar de overwegingen uiteen­gezet bij het onderzoek van de vordering van de Heer Mazy (paragraaf 173 hiervoor) en uitspraak doende naar billijkheid zoals is ver­eist bij artikel 41 van het Verdrag, kent het Hof aan de Heer Javeau de som toe van 300.000 BEf en de som van 460.000 BEF, voor res­pectievelijk de kosten van het geding voor het Hof van Cassatie en die welke zijn aangegaan voor zijn verte­genwoordi­ging voor de Commissie en vervolgens voor het Hof.

 

 

      C. Moratoriuminteresten

 

     

      183. Volgens de inlichtingen waarover het Hof beschikt, bedraagt de wettelijke interestvoet die in België van toepas­sing is op de datum van de aanneming van dit arrest, 7 % per jaar.

 

 

OM DIE REDENEN,

 

HET HOF

 

1.    Zegt, met eenparigheid, dat er schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag ten aanzien van de Heer Coëme, in zoverre de ontstentenis van toepassingswet die de procedure van het onderzoek van de gegrondheid van de tegen de ministers gerichte vervolgingen regelt met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, hem een eerlijk proces heeft ontzegd;

2.    Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grieven te onderzoeken die in dit verband zijn afgeleid uit de leden 2 en 3 van artikel 6 van het Verdrag;

3.    Zegt, met eenparigheid, dat er schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag in zoverre het Hof van Cassatie geen "bij de wet ingestelde" rechterlijke instantie was in de zin van artikel 6 van het Verdrag om de vervolgin­gen tegen de Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau te on­derzoeken;

4.    Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken die in dit verband is afge­leid uit artikel 14 van het Verdrag;

5.    Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken van de Heren Mazy, Stalport, Hermanus en Javeau, afgeleid uit de ontstentenis van procedurewet aangenomen met toepassing van artikel 103 van de Grond­wet;

6.    Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Ver­drag vanwege de weigering van het Hof van Cassa­tie om aan het Arbitrage­hof de prejudiciële vra­gen voor te leggen met betrekking tot de samen­hang en de verlenging van de verjaringster­mijn;

7.    Zegt, met eenparigheid, dat het niet nodig is de grief te onderzoeken die is afgeleid uit artikel 13 in verband met de weigering om aan het Arbi­tragehof de prejudiciële vragen voor te leggen;

8.    Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Ver­drag wat betreft de bewering dat het Hof van Cassatie geen onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie was;

9.    Zegt, met vier stemmen tegen drie, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Ver­drag wat betreft het verhoor van de Heer Stal­port;

10.   Zegt, met eenparigheid, dat er geen schending was van artikel 6, lid 1, van het Verdrag wat betreft de duur van de procedure van onderzoek van de vervolgingen gericht tegen de Heer Hermanus;

11.   Zegt, met eenparigheid, dat er geen schending was van artikel 7 van het Verdrag;

12.   Zegt, met eenparigheid, dat de verwerende Staat binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waar­op het arrest definitief is geworden overeenkom­stig artikel 44, lid 2, van het Verdrag, 300.000 (driehonderdduizend) Belgische frank wegens more­le schade moet betalen aan de Heer Mazy, aan de Heer Hermanus en aan de Heer Javeau, alsmede aan de erfgenamen van de Heer Stalport;

13.   Zegt, met eenparigheid, dat de verwerende Staat binnen dezelfde termijn van drie maanden, wegens kosten van het geding, 400.000 (vierhonderddui­zend) Belgische frank moet betalen aan de Heer Coëme en 760.000 (zevenhonderdzestig­duizend) Belgische frank aan de Heer Mazy, aan de Heer Hermanus en aan de Heer Javeau, alsmede aan de erfgenamen van de Heer Stalport;

14.   Zegt, met eenparigheid, dat die bedragen zullen worden vermeerderd met een gewone interest van 7% per jaar te rekenen vanaf het verstrijken van de voormelde termijn en tot aan de betaling;

15.      Verwerpt, met eenparigheid, de vorderingen tot billijke genoegdoening voor het overige.

 

      Gedaan in het Frans, vervolgens uitgesproken ter openbare terechtzitting in het "Palais des Droits de l'Homme" te Straatsburg op 22 juni 2000.

 

 

Erik FRIBERGH    Christos ROZAKIS

Griffier  Voorzitter

 

 

      Bij dit arrest is gevoegd, overeenkomstig artikel 45, lid 2, van het Verdrag en artikel 74, lid 2, van het reglement, de uiteenzetting van de volgende afzon­derlijke meningen:

 

      - overeenstemmende mening van de Heer Conforti;

      - gedeeltelijk afwijkende mening van de Heer Lorenzen, waarbij de Heer Rozakis zich aansluit;

      - gedeeltelijk overeenstemmende en gedeeltelijk afwijken­de mening van de Heer Baka.

 

 

      C.L.R.

                    E.F.


OVEREENSTEMMENDE MENING VAN DE HEER CONFORTI, RECHTER

 

 

      Het enige gedeelte van het arrest waarover ik het niet eens ben met de meerderheid is de redenering die de meerder­heid ertoe heeft geleid de positie van de Heer Coëme te onder­scheiden van die van de andere verzoekers.

      Naar mijn mening is het essentiële element dat de schen­ding van artikel 6 van het Verdrag te dezen in­houdt, zowel wat betreft de op de Heer Coëme toegepas­te procedure als wat betreft de toepassing van het beginsel van de samenhang op de andere verzoekers, de ontstentenis, tijdens het verloop van het proces voor het Hof van Cassatie, van een toepassingswet van arti­kel 103 van de Grondwet.

      Het is juist dat, wat de Heer Coëme betreft, artikel 103 reeds voorzag in de bevoegdheid van het Hof van Cassatie. Het is ook juist dat, rekening houdende met de rechtsleer en met de mededelingen gedaan door de procureur-generaal aan de raadslieden van sommige van de verzoekers, dezen konden verwachten dat de gewone strafprocedure op hen zou worden toegepast. In een land met gecodificeerd recht zoals België - waar de procedureregels in wezen tot de bevoegdheid van de wetgever behoren en waar sedert meer dan ander­halve eeuw de Grondwetge­ver de wetgever uitnodigt om regels aan te nemen die moeten worden gevolgd voor de inbeschuldigingstelling en berechting van de ministers - kan men echter niet concluderen dat de procedu­re bij wet was ingesteld. Zeggen dat, voor de Heer Coëme, het enkel ging om een kwestie van wapengelijk­heid en van billijkheid van de procedure, komt erop neer het belang­rijkste aspect van de zaak te banalise­ren.

      Het weze duidelijk dat ik hiermee niet wil zeggen dat als dusdanig het Hof van Cassatie van België, waarvoor ik alle respect heb, geen bij de wet inge­stelde rechterlijke instantie is. Het ligt voor de hand dat de voorwaarde "ingesteld bij de wet", opge­legd door artikel 6, lid 1, niet is vervuld wanneer, ofschoon de rechtbank op wettige wijze is samenge­steld, de procedureregels die op een concreet geval moeten worden toege­past niet zijn bepaald bij de wet, zoals ons Hof heeft vastge­steld met betrekking tot de samenhang.

      Tot besluit meen ik dat, evenmin als de andere verzoekers die werden berecht krachtens het beginsel van de samenhang, de Heer Coëme ook niet is berecht door een rechterlijke instantie ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6.

 


GEDEELTELIJK AFWIJKENDE MENING VAN DE HEER LORENZEN, RECHTER, WAAR­BIJ DE HEER ROZAKIS, RECHTER, ZICH AAN­SLUIT

 

(Vertaling)

 

      Ik sluit mij aan bij de vaststelling van de meer­derheid vermeld in paragraaf 108 van het arrest: aan­gezien in de samenhang niet was voorzien bij de wet, was het Hof van Cassa­tie geen "bij wet ingestelde" rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 om de vervolgingen tegen de Heer Mazy, de Heer Stalport, de Heer Hermanus en de Heer Javeau te onderzoeken.

      Het Hof heeft in een zeker aantal arresten geoor­deeld dat wanneer een schending van artikel 6, lid 1, wordt vastgesteld om reden dat een rechtbank niet onafhankelijk en onpartijdig was, het niet nodig was andere grieven te onderzoeken die zijn afgeleid uit artikel 6 met betrekking tot de procedure gevolgd voor de rechtbank in kwestie (zie bijvoorbeeld de arresten Findlay t. Verenigd Koninkrijk van 25 februari 1997, Recueil des arrêts et décisions 1997-I, pp. 282-283, § 80, en Incal t. Turkije van 9 juni 1998, Recueil 1998-IV, p. 1573, § 74).

      Die rechtspraak is a fortiori van toepassing, naar mijn mening, op de situatie waarin een schending van artikel 6, lid 1, wordt vastgesteld om reden dat de rechtbank niet de voorwaarden vervulde om geacht te worden te zijn "ingesteld bij de wet". Bijgevolg ben ik van mening dat het niet nodig was de bewe­ringen van schending van artikel 6, lid 1, te onderzoeken welke zijn vermeld in de afdelingen I. B. (prejudiciële vragen aan het Arbitragehof), I. C. (vraag of het Hof van Cassatie een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie was) en I. D. (vraag of het ge­bruik als bewijs van het verhoor van de Heer Stalport van 16 maart 1994 inbreuk heeft gemaakt op het recht van laatstgenoemde op een eerlijk proces). De grief van de Heer Hermanus met betrekking tot de duur van de rechtspleging werpt anderzijds een vraag op die niet is gedekt door de vaststelling volgens welke het Hof van Cassatie te dezen niet kon worden beschouwd als zijnde "ingesteld bij de wet". Evenwel meen ik even­eens, om de redenen uiteengezet in het arrest, dat er in dit opzicht geen schending is geweest van artikel 6, lid 1.

 


GEDEELTELIJK OVEREENSTEMMENDE EN GEDEELTELIJK AFWIJ­KENDE MENING VAN DE HEER BAKA, RECHTER

 

(Vertaling)

 

      Ik sluit mij volledig aan bij de overeenstemmende mening van de Heer Conforti volgens welke de procedu­reregels die door het Hof van Cassatie in België moes­ten worden toegepast, te dezen niet waren vastgesteld. Ik meen eveneens dat, vanwege deze procedurefout, de Heer Coëme niet is berecht door een rechterlijke in­stantie ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6, lid 1. Zijn positie in dit verband was niet onder­scheiden van die van de andere verzoekers.

      Ik sluit mij echter eveneens aan bij de afwijken­de mening van de Heer Lorenzen, waarbij de Heer Roza­kis zich heeft aangesloten. Wanneer het Hof oordeelt dat een nationale rechtbank niet kan worden geacht te zijn ingesteld bij de wet in de zin van artikel 6, lid 1, hetzij omdat die rechtbank niet wettig was samengesteld, hetzij - zoals te dezen het geval is - omdat de procedure voor die rechtbank niet is vastge­steld, houdt die vaststelling een vrijstelling in om de andere grieven afgeleid uit artikel 6, lid 1, verder te onderzoeken. Dit is de reden waarom ik tegen de meer­derheid heb gestemd met betrekking tot de punten 6, 8 en 9 van het beschikkend gedeel­te van het arrest.

 

 

 

 

Voor eensluidende vertaling

        "NE VARIETUR"

van het Frans in het Nederlands,

getrouw, oprecht en volledig.

Brussel, 18 septembre 2000

 

 

 

     

     

           

 

 



    [1]  Zie het proces-verbaal van verhoor van 16 maart 1994, antwoord op de tweede en derde vraag geciteerd in de boven­staande paragraaf 27.

    [2] Zie het proces-verbaal van verhoor van 7 juni 1993, bovenstaan­de paragraaf 21.